
Bij de nagerechten arriveerden we in Utrecht.












Een week ben ik nu in het Gooi. Helemaal alleen. Dat is geen straf, want het is er heel mooi. Uit ieder raam waar ik kijk is groen. Overal fluiten vogeltjes. Soms zwaai ik naar een passerende eekhoorn, maar die rennen altijd snel een boom in als ze me in de smiezen krijgen. Kortom, allemaal bijzonder rustgevend en idyllisch. Langs de laantjes staan rietgedekte boerderijen. Zo nu en dan zoeft er een glimmende landrover voorbij. Soms zie ik een koetsje met een paard ervoor.
Bij de bushalte in het dorp leunt een man in een witte broek tegen een monumentaal huisje. Hij staat daar niet te wachten op een bus natuurlijk, niemand gaat hier met de bus. Hij poseert voor een fotograaf. De man draagt een donkerblauw jasje met gouden knopen en heeft zijn armen over elkaar gevouwen. Onverschrokken blikt hij in de lens. ‘Nu nog even met de labrador erbij,’ zegt de fotograaf, ‘voor het laatste shot.’ Dat wordt ongetwijfeld een puike foto voor in de Quoti.
In Lombok zie ik nooit een labrador. Er zijn wel katten, meestal een beetje van het groezelige genre. Ze worden in het geheel niet afgeschrikt door mijn overbuurman, als die weer eens op straat staat te zagen. De Surinaamse meneer met de cactusverzameling zwaait vanaf zijn leren bank als ik langskom. ‘Oeeeh!’ brult onze buurtgek, ‘oeeeeeeah!’ Hij draagt altijd hetzelfde voetbalshirt. Bij het oversteken moet ik goed uitkijken niet van de sokken te worden gereden door Turkse overmoedigheid in een blitse BMW.
Ik heb ineens een beetje heimwee, geloof ik.




Hoe ouder je wordt, hoe minder spannend dat is. Voor je vijfde verjaardag kreeg je een vrolijke kroon van papier, een versierde stoel en mocht je uitdelen op school. Ook gaf je een partijtje. En eigenlijk was dat heel leuk. Soms, als ik bij de mensen naar binnen gluur, zie ik de volwassen variant van het partijtje. Dat ziet er dan uit als volgt: grote mannen en vrouwen die in een kring bier uit een flesje drinken of een stukje taart eten. Zo’n soort verjaardag wil ik natuurlijk niet. Toch heb ik het onbestemde gevoel dat er iets speciaals zou moeten gebeuren, maar ik weet niet precies wat. Het een beetje zoals met kerstmis. Opgelegde gezelligheid.








De Efteling. Wie is er niet groot mee geworden? Denk eens terug aan de goede dagen dat we het uitkraaiden van plezier als we het zevende geitje in de klok ontwaarden en van zingende paddenstoel naar zingende paddenstoel renden. Mijn moeder wilde altijd heel lang kijken naar de rode schoentjes, maar dat was eigenlijk niet zo spectaculair. Nee, dan de grote groene draak! Die rook ook altijd een beetje naar verbrand rubber. Heel spannend was dat.
Maar het allerbeste en allermooiste van het sprookjesbos vond ik de Indische waterlelies, gebaseerd op een verder totaal onbekend sprookje van de hand van koningin Fabiola (wist u het?). Vroeger was de stem die het verhaal vertelde van Fabiola zelf, tegenwoordig is het Paul de Leeuw (oh gruwel) met zijn lijmstem. Op zich niet zo erg, het verhaal was toch altijd al volkomen onduidelijk. Iets met een heks, en een vloek, en sterren, of zo.
In ieder geval. Als het nacht was, gingen de betoverde waterlelies open en dan dansten daar een soort van elfjes in. Ze dansten op een heel koddig doch pakkend deuntje dat ook nu nog zijn emotionele uitwerking op mij niet mist. Zelfs nu op een filmpje vind ik het nog mooi om te zien, ook al valt ineens op dat de popjes houterig bewegen en de ganzen niet helemaal in de maat deinen. Het blijft magisch. Jammer dat het maar twee minuten duurt.


Ik gaf de Schrijver altijd een jaarabonnement op Artis voor zijn verjaardag. In het bijzonder waren wij gehecht geraakt aan nijlpaard Tanja. Zij woonde in een piepklein betonnen bassin maar kon wegens ouderdom niet kon worden verhuisd (dat laatste hadden we gelezen in het Artisblad). Verder stonden we altijd even extra lang stil bij de twee geleende ijsberen uit Parijs, die zonder onderbreking neurotisch rondjes liepen op hun cementen ijsschots.
Op een goede dag in ons eindexamenjaar zochten mijn vriendinnetje en ik voor de schoolkrant een flamboyante oud-leerling om een leuk stukje te schrijven. Onze leraar Nederlands, zelf auteur van enige dichtbundels, tipte een student journalistiek uit Amsterdam. ‘Hij drinkt stevig en is een beetje gek, maar hij schrijft goed,’ waarschuwde hij.
In de wijze van begroeten liggen belangrijke interculturele verschillen besloten. Voor mannen zijn de problemen groter dan voor vrouwen, omdat die elkaar in Nederland blijkbaar niet zomaar op de wang kunnen zoenen. In plaats daarvan wordt een soort van stoer ritueel uitgevoerd dat een combinatie is tussen een handdruk en een joviale klap op de schouder. In de meer mediterrane landen daarentegen dient juist te worden gekust en omhelsd. In Afrika zag ik ook vaak mannen hand in hand lopen. Dacht ik eerst dat het een heel homosueel-vriendelijk gebied was, maar het bleek bij nader inzien een normale vriendschapsuiting te zijn.
Ook op het idealistische vlak stelt een mens prioriteiten. Zo ben ik erg afkerig van alles wat neigt naar bio-industrie, en houd ik nauwlettend in de gaten wat voor kippenwelzijnsnummertje er op mijn ei gestempeld staat. Daarentegen maak ik me zelden tot nooit zorgen over climate change (voorheen: global warming) of uitstervende pandaberen. Het scheiden van afval is ook nooit een van mijn aandachtspunten geweest. Papier en glas apart, zo ver ben ik inmiddels wel, maar de rest pleur ik met zeer veel voldoening in één grote bak.
Ik stond in een lange rij om een treinkaartje te kopen op Brussel Centraal. Achter mij een oudere heer, met wie ik aan de praat raakte over de lengte van de rij. ‘Vous n’êtes pas d’ici,’ stelde hij na drie zinnen vast. Dat vond ik niet zo leuk, want ik heb net een halfjaar in Frankrijk zitten peuteren op mijn Frans. Maar goed, voor de rest was het een heel vriendelijke meneer. We praatten een tijdje over koetjes en kalfjes en politiek en immigratie. De oudere heer kwam uit het voormalige Joegoslavië, maar in de jaren ’50 was hij naar Parijs verhuisd. En Nederland, dat kende hij wel, daar had hij wel eens een exposé gehouden.
Onlangs logeerde een vriend bij mij. ‘Weet je B., dat jij onmogelijk met iemand kunt samenwonen,’ sprak hij monter toen hij weer vertrok. ‘Denk je dat nou heus?’ piepte ik benauwd. Hij dacht dat heus. Goed nieuws is dan ook dat ik krap twee weken na dit onheilspellende bericht toch ineens samenwoon. In Brussel en met een man. Die man is niet mijn vriend, tenminste niet als in het begrip Vaste Relatie (dat is een klein detail). Maar goed, het is een begin.