maandag 19 september 2011

Cursus


Ik kan het niet helpen, ik ben gewoon nieuwsgierig. Zeker als ik verder niets beters te doen heb, zoals in de trein. Tegenover mij nam ditmaal een Aziatische meneer plaats. Uit zijn tas kwam een grote map van de LOI. Aha, dacht ik aha, aha, deze meneer bereidt zich voor op een examen. De Aziaat haalde een notitieblok tevoorschijn met aantekeningen. Daarop ontwaarde ik enige figuurschetsen die me sterk herinnerden aan mijn laatste assessment.

In Den Bosch stapte een jongen in met een appelboompje. ‘Wat een mooi boompje,’ zei de Aziatische meneer. ‘Ja,’ zei de jongen. ‘Wat is het voor boom?’ vroeg de meneer. ‘Het is een appelboompje,’ zei de jongen. ‘Wat voor soort appelboompje?’ drong de Aziaat aan. ‘Een elstar,’ zei de jongen met tegenzin. ‘Waar heeft u die boom gekocht?’ vroeg de meneer weer. De jongen zat niet te wachten op een gezellig gesprek. ‘Ze waren in de aanbieding bij de Aldi,’ zei hij kort. De meneer knikte vriendelijk en ging weer verder met zijn werk.

Hij viste nog een stuk papier uit zijn tas. Of eigenlijk was het meer karton. ‘Tjee,’ dacht ik, ‘wat kan dat zijn? Het lijkt wel een menukaart.’ Het was een menukaart. Een menukaart van een Chinees restaurant. De aantekeningen die ik had aangezien voor training van abstract intellectueel vermogen waren helemaal niet abstract: het waren gewoon borden met bestek. De man begon rustig met het overschrijven van de menukaart. Op zijn das zat een vlek. Samen met de jongen met het boompje keek ik geïntrigeerd toe naar de meneer met zijn restaurantcursus.

Bij de nagerechten arriveerden we in Utrecht.

zaterdag 17 september 2011

Bloemetjes


De laatste tijd hoor ik vrienden -zelfs heel leuke mensen- tot mijn schrik steeds vaker iets zeggen over sparen. Bijvoorbeeld ‘ik spaar honderd euro per maand voor een reis die [Pieter] en ik gaan maken naar Thailand’ of ‘[Sander] en ik willen graag samen een auto kopen.’

Nieuw is dat dat ook op mij kan slaan, aangezien ik in blijde afwachting ben van mijn eerste salaris. ‘Goh,’ zei een vriendin toen ze het bedrag hoorde, ‘dan kun je zelfs nog een beetje sparen.’ ‘Sparen?!’ riep ik geschrokken, ‘ik ga het UITGEVEN, wat denk je wel.’ Even bleef het stil. Toen zei ze sereen: ‘ik spaar, zodat ik het later echt goed kan besteden.’

Dit zette mij wel aan het denken. Sparen oké, maar waarvoor? Naar Peru wil ik helemaal niet, om nog maar te zwijgen over Australië. Een superlatieve computer heb ik al. Een auto is zinloos, een baby heb ik niet, en een poes (potentieel duur in onderhoud) kan niet.

Opvoeding speelt hier wellicht ook een rol. Mijn moeder, bijvoorbeeld, spaart niet. (Mijn stiefmoeder trouwens ook niet. ‘Waarom,’ hoorde ik mijn vader eens vertwijfeld zuchten, ‘tref ik toch steeds vrouwen die alleen maar geld uitgeven?’). Sterker nog, mijn moeder is de enige mens die ik ken die juist niet iets in de aanbieding wil kopen. Ze deed dat af als grote onzin en kocht liever bloemen dan een nieuwe wasmachine, wat ik in retrospectief eigenlijk heel lief vind.

Ik denk dat het dus gewoon niets gaat worden voorlopig, met mij en het sparen. Geef mij maar de bloemetjes.

dinsdag 23 augustus 2011

Ogen dicht


Als je klein bent en bang voor de tandarts is dat een beetje aanstellerig. Maar als je groot bent is juist heel bon ton om te verklaren dat je gruwt van rubberen handschoentjes en rilt bij het gezoem van de boor. Want laten we eerlijk zijn, mensen die onaangedaan blijven onder dat soort praktijken vinden wij toch niet echt verfijnd.

Een tijdlang was ik zo huiverig voor de tandarts dat ik gewoon niet ging. En, zoals met veel van die dingen, als je het niet doet wordt het nog veel enger. Toen ik vorig jaar begon te dromen van een verrot gebit besloot ik dat het tijd was om mijn verantwoordelijkheden onder ogen te zien. Met trillende handen belde ik de tandartsassistente.

‘Natuurlijk sta je nog in ons bestand,’ zei ze, ‘bij welke tandarts ben je in de tussenliggende periode geweest?’
‘Tsja,’ zei ik beschroomd, ‘bij geen tandarts.’
‘Geen tandarts? Maar dat kan toch bijna niet,’ zei de assistente, ‘de laatste keer dat je hier kwam was tien jaar geleden.’
‘Goh, zo lang nog,’ piepte ik, ‘misschien moeten we dan maar meteen een extra lange afspraak inplannen?’

Dat was niet nodig. In de wachtkamer hing een heel raar schilderij met tanden en kiezen (zie plaatje). Er lag linoleum en het rook er onprettig. Vanachter de deur aan het einde van de gang klonken stemmen en allerlei akelige geluiden. Toch wist ik mijn vluchtneigingen te onderdrukken, en gaf de tandarts een beverig handje. ‘Zo Basje,’ zei hij bij het afscheid nemen, ‘je hoeft niet elk halfjaar te komen, maar elk jaar is misschien toch wel een idee.’ Ik knikte gedwee. Eigenlijk ben ik heel gevoelig voor gezag.

Daar lag ik dan dus vanmorgen om tien voor half negen in de kunstleren stoel. Buiten was het mistig. ‘Zozo,’ zei de tandarts, ‘dus je gaat promoveren? Wat leuk, zeg.’ ‘Gnaw,’ bevestigde ik. Bij het antwoorden werd ik gehinderd door een bitter smakende plastic klem. Of tenminste, ik denk dat het een klem was want ik hield mijn ogen stijf dicht. Anders zou ik nog wel eens verschrikt op kunnen springen en me ernstig verwonden. Bovendien houd ik er niet van mijn tandarts van zo dichtbij in de ogen te kijken.

‘En wat ga je precies onderzoeken,’ vroeg de tandarts, ondertussen vlijtig in mijn mond rondborend, ‘je mag even spoelen.’ Hij wil dat niet echt weten, zei ik tegen mezelf, dit is allemaal bedoeld om jou op je gemak te stellen. Met moeite murmelde ik iets van ‘euhopeahse regawhgeving.’ ‘Aha,’ zei de tandarts, ‘Betty, zoek de bitjes van vorig jaar nog even op.’

De bitjes. De tandarts is een uiterst pijnlijke ingreep aan het beramen, dacht ik paniekerig terwijl hij de foto’s tegen een lichtplaat hield. Er zal geboord moeten worden tot op het kaakbot. Mijn bovenste kiezen zijn ontstoken. Ik heb acht verstandskiezen in plaats van vier. Ik probeerde heel hard te denken aan een bloempje, zoals ik op een blauwe maandag yoga heb geleerd. Ik zag de bloem, ik rook de bloem, ik voelde de bloem.... ‘Prima hoor,’ onderbrak mijn tandarts, ‘tot volgend jaar dan maar weer.’

Waarschijnlijk kom je er nooit helemaal overheen.


donderdag 4 augustus 2011

Veronderstelling


‘U beiden wilt zeker wel mooi een tafeltje in het maanlicht?’ vroeg een extra attente ober in Crotone ons zeven jaar geleden voor het eerst. ‘Nou,’ zei mijn vader verbaasd, ‘mijn dochter en ik zitten eigenlijk net zo lief binnen.’ ‘Ik heb hier anders een heel mooi plekje voor u en uw dochter,’ knipoogde de eigenaar begrijpend, en dirigeerde ons naar een romantisch tafeltje met kaarsen.

Sinds ik geen jeugdpuistjes meer heb, veronderstelt de bevolking ten zuiden van Napels kortom dat mijn vader en ik een stel zijn. Ervaring leert dat verklaringen (‘nee maar het is écht mijn vader hoor’) de zaak juist verergeren. Het is beter te berusten. ‘Uw man is al naar binnen?’ vraagt de jongen van de benzine mij bijvoorbeeld. ‘Ja hoor,’ zeg ik dan, richting mijn vader zwaaiend, ‘mijn man staat daar bij de kassa.’

We worden wel altijd met veel égards behandeld, en dat komt dan doordat hier een man op leeftijd met zo’n jonge vrouw en zo’n auto potentieel invloedrijk is. Misschien is het wel een lokale baas, hoor je de mensen denken, een beetje oppassen maar. Daar moet ik bij zeggen dat mijn vader meestal ook nog iets handigs laat vallen als ‘mijn vrouw komt pas volgende week.’ Dan, kan ik u verzekeren, durft het mannelijk bedienend personeel me al helemaal niet meer aan te kijken.

‘Ah maar het is uw dóchter,’ lachte de jongen van de pizzeria na een paar dagen opgelucht, ‘het is echt uw dochter.’ Jaja, knikken wij, dat zeiden we toch al de hele tijd.


donderdag 28 juli 2011

Opvoeding


Napels centraal station, 16.43 uur. ‘Nee, hier is het alleen voor de hogesnelheidslijn,’ zegt de man aan het loket tegen een voordringend heerschap. ‘Hoe bedoelt u, alleen hogesnelheidslijn,’ begint de man boos, ‘ik heb hier al die tijd staan wachten, en nu vertelt u mij dat ik geen kaartje kan kopen.’ ‘Ziet u die rode streep,’ verheft de loketbeambte nu ook zijn stem, ‘voor regionaal is de andere rij. Er staat daar een bord.’

‘Andere rij, andere rij?!’ roept de klant kwaad, ‘niks andere rij! Wat is dat voor onzin!’ ‘Ooeoeèèèwww,’ schudt de kaartverkoper zijn handen, ‘wat een personaggio.’ ‘U bent zelf een personaggio!’ schreeuwt de voordringer, ‘en ik wil mijn kaartje!’ Wij staan allemaal heel hard naar onze voeten of naar het plafond te staren, Napels is nu eenmaal een stad waarin iedereen altijd de andere kant op kijkt.

‘Scheer je weg!’ begint de kaartverkoper nu echt op te warmen, ‘wegwezen! U heeft geen enkele opvoeding!’ ‘Dit is een SCHANDE! Een regelrechte SCHANDE!’ protesteert de man. ‘UIT MIJN OGEN!’ dondert de beambte, ‘ik wil u hier niet meer zien!’ ‘Schandalig!’ tiert de afdruipende man nog, ‘belachelijk!’ ‘De OPVOEDING!’ roept de kaartverkoper hem achterna, ‘wat een gebrek aan opvoeding, dat kan niet eens lezen, er staat toch een bord!’

Om mij heen is de instemming voelbaar. Wij vinden het een goede, assertieve loketbeambte.


maandag 25 juli 2011

Dnjepr


Mijn aardrijkskundeleraar heette meneer Kalksma en het was geen spannende man. Zijn lokaal was het mooiste en grootste van de school met aan de muur reusachtige landkaarten, maar toch liet zijn aardrijkskunde mij volslagen koud. Opmerkelijk, aangezien ik dol ben op bladeren door atlassen en zoeken in atlassen en trivia lezen in atlassen waar ik verder nooit meer iets aan zal hebben. Als ik ooit nog iets ga verzamelen, dan zullen het atlassen zijn.

Ons aardrijkskundeboek leek alleen helemaal niet op een atlas. De leermethode waar meneer Kalksma organisch vergroeid mee was geraakt, heette de Geo Geordend – en pas tien jaar later begreep ik dat de klemtoon ligt op de ‘o’ van Geórdend. Eerlijk gezegd heb ik al die tijd gedacht (gehoopt) dat de Geo Géordend een spannende plaats was ergens in donker Amerika. Maar niet dus. Het ging om het aanbrengen van órde in de Geo, hetgeen geschiedde door veel te kleuren en te plakken. Ook dingen die ik op zich erg leuk vind.

Helaas was het net of alles wat meneer Kalksma deed en aanraakte bedekt raakte met een superdikke laag stof. Dat stof leek te culmineren in de groeven van zijn gezicht. Ik dacht weleens, lekker buiten over de waslijn en dan flink los met een mattenklopper zou hem veel goed doen. Maar toen schreef ik nog in de schoolkrant, en de schoolkrant moest eerst goedgekeurd worden door de rector, en de rector vond het niet goed als we dat soort dingen schreven. We mochten ook geen grapjes maken over de gebreide vesten van onze leraar Engels.

Gisteren bekeek ik een documentaire waarin iemand het had over de Dnjepr. En toen kreeg ik plotseling een sterke visuele flashback van meneer Kalksma, staande voor een verkleurde kaart met een plastic aanwijsstok. ‘De Dnjeprrrrr,’ zegt hij op uitgebluste toon, terwijl hij met de stok over het papier heen en weer frummelt bij het blauwe lijntje dat de rivier voorstelt. De kaart wiebelt een beetje door het rode puntje van de stok. ‘De Donau..... de Wolga...,’ hoorde ik meneer Kalksma doordreunen.

Bijna onmiddellijk verloor ik iedere interesse in het programma.

zondag 17 juli 2011

Continental breakfast


De sfeer in de ontbijtzaal van een hotel is doorgaans ingehouden. Bedrukt, zou ik bijna zeggen. Mensen mompelen wat moeizaam naar elkaar, de stoelen zitten niet echt lekker en het sap smaakt naar onbestemd muzakfruit. Niet zelden is de ruimte vreemd gepositioneerd, bijvoorbeeld in het souterrain of een soort van achterkamertje. Soms ook draait de eetzaal, nog katerig van de vorige avond, ochtenddiensten.

Op een centraal punt prijkt in elk geval een lange tafel met hardplastic orgelpijpen vol cornflakes en schalen hotelham. Dit is het zogenaamde ontbijtbuffet. Merkloze yoghurtpotjes dobberen in een bak ijswater -geflankeerd door kuipjes boter- en de boel wordt wat opgesierd met een kunstbloem of eenzame ananas. Zo nu en dan staat er iemand op om met een bordje in zijn handen naar het buffet te lopen.

De rest van de zaal kijkt dan zo onopvallend mogelijk toe en denkt ongeveer hetzelfde. Zou die dikke Duitser inderdaad worst gaan opscheppen? Het oudere Engelse echtpaar neemt natuurlijk scrambled eggs. En de Franse vader en moeder zouden hun twee Franse zoontjes, die met één bil op hun stoel hangen en van tafel willen, ook weleens wat beter in bedwang kunnen houden. Als je de volgende dag dezelfde medegasten tegenkomt, kan er zelfs zoiets als een verplicht ochtendknikje ontstaan.

Het hotelontbijt heeft, kortom, iets tragisch. Op zich ben ik daar nog wel van gecharmeerd, je kunt je immers beperken tot een kopje thee. Alleen vergeet ik elke keer opnieuw, dat die net te kleine oerlelijke hoteltheepotjes zonder uitzondering (en dat is al-tijd) lekken bij het schenken. Zodat er meer thee op je krant beland dan in je kopje. En dat is dus eigenlijk een beetje teveel, zo vroeg in de morgen.

maandag 11 juli 2011

Edi

Op het met riet overdekte terras aan zee zat, alleen, de kleine jongen die ook de vuile borden ophaalde. Hij had toegeknepen ogen en een vierkante kaak. Zijn bewegingen hadden iets dierlijks. Gebogen zat hij over zijn pasta, de armen op tafel en het hoofd naar voren. Of hij al maanden niet had gegeten schrokte hij de slierten naar binnen. Zijn ellebogen staken wit af bij zijn bruine armen. Achter hem groeide een grote cactus.

In de ochtend, toen er nog maar weinig gasten waren, had ik die jongen de tafels zien schoonvegen met een soort plantenspuit en een groen doekje. “Sorry,” mompelde hij schuw toen hij bij mij was aangekomen, “ik moet hier even schoonmaken.” Hij hield zijn ogen neergeslagen. Ik knikte en tilde welwillend mijn kopje koffie op. Beschaamd bewoog de jongen het groene doekje enkele malen over het hout. “Edi,” riep een schorre vrouwenstem uit de donkere strandtent. “Edi!”

“Ik kom,” meende ik de jongen te horen murmelen. Hij zette zijn plantenspuit onder de cactus en haastte zich naar binnen. Na enkele ogenblikken verscheen de vrouw op het terras. Ze liet een inspecterende blik over de tafels glijden en marcheerde toen kordaat het beeld uit. Ik keek uit over het strand. Het tafelblad plakte aan mijn notitieblok. Daar kwam Edi weer aansjokken. Met zijn ogen dichtgeknepen tegen de felle zon pakte hij het groene doekje om zijn taak af te maken.


Lido di Venezia, juli 2011

woensdag 29 juni 2011

Compensatie

Het was een zonovergoten middag, en ik lunchte met Florian. ‘Ik wil eigenlijk graag een kat,’ verzuchtte ik tijdens het dessert, ‘maar dat kan niet, want het is zo lastig als ik eens een keertje weg ben.’ Florian keek om zich heen en boog zich toen voorover. ‘Écoute, BB,’ zei hij toen, ‘een vrouw kan na een bepaalde leeftijd beter geen kat meer nemen. Dat geeft een verkeerd signaal.’

Ik knikte begrijpend. ‘Alsof je iets probeert te compenseren,’ voegde hij er ten overvloede aan toe. ‘Maar daarom wil ik toch ook juist die kat?’ grinnikte ik, ‘om te compenseren?’ Ik nam nog maar een hapje van mijn geglazuurde chocoladecake. ‘Als een man een meisje ontmoet met een kat,’ maakte Florian het nog een beetje erger, ‘dan zal hij meteen denken: foute boel! Wegwezen!’

‘Jaja,’ wuifde ik in de lucht, ‘ik heb het begrepen. Geen kat. Maar wat te zeggen van een jongen met een poes in huis? Is dat ook compensatie?’ Florian schudde zijn hoofd. ‘Mannen,’ verklaarde hij terwijl hij in zijn espresso roerde, ‘nemen geen kat. En als ze dat wél doen, dan is het om indruk te maken op meisjes. Om te laten zien dat ze heel zorgzaam zijn. Ook niet goed, eigenlijk. Je kunt beter helemaal geen huisdier hebben. Zoals ik.’

‘Hm,’ zei ik bedachtzaam. ‘Je zult wel gelijk hebben.’


donderdag 23 juni 2011

Poëtisch

Mijn vader blijkt al jaren een soort van lokale SRV man te hebben voor zijn kaas. Ik wist dat niet. De hond wist het wel en begon al een kwartier van tevoren alarm te slaan alsof er onweer op komst was. In de Via Montegrappa stopte een klein vrachtwagentje met uitklapbare toonbank. Daarachter stond Daniele in een korte broek. Hij snijdt voor ons allerlei stukjes kaas af. ‘Deze soort gaat heel goed samen met prosecco,’ filosofeert hij daarbij, ‘want de smaak hecht aan het gehemelte. En in combinatie met de subtiele belletjes van de prosecco geeft dat een prachtige sensatie.’

‘Mijn dochter is hier niet zo vaak,’ legt mijn vader uit, ‘kun je haar een stukje morlacco laten proeven?' 'Dat wordt hier in de buurt gemaakt,’ zegt hij tegen mij, ‘alleen zelf vind ik het niet zo lekker.’ Daniele knikt. ‘De poesia van de morlacco is prachtig,’ zegt hij allerminst uit het veld geslagen. ‘Dit komt bijvoorbeeld van een signore die het maar één maand van de zomer produceert, en alleen met vers lentegras. Hij gebruikt eeuwenoude technieken. Er wordt grof zout bovenop gelegd, die langzaam neerdaalt in de kaas en de smaak verandert.’

Ik proef nieuwsgierig. Vooral door dat detail van het afgedaalde zout willen wij ons ook van de morlacco wel een stukje laten verkopen. ‘U moet er een beetje mee oppassen,’ zegt de kaasjongen terwijl hij het afsnijdt, ‘want het is heel vers en heel rijk aan bacteriën.’ ‘Je krijgt er diarree van,’ begrijpt mijn vader. ‘Het helpt,’ lacht Daniele. Ik kijk met hernieuwde blik naar het stukje kaas in mijn hand, en verbind ineens de lijnen oud mannetje, ouderwets productieproces en rauwe ongepasteuriseerde melk.

Dan zie ik de hond, die smekend en welhaast kwijlend naar mij opziet. Hij heeft geluk, vandaag.


woensdag 1 juni 2011

La bonne éducation

Al bijna sinds het begin van mijn jaartelling slaap ik met boeken in bed. Niet per se om ze ook echt te lezen, maar meer voor de gezelligheid. Volgens mijn moeder was zij -toen ik echt klein was- altijd bang dat de zaak zou omvallen en dat ik er in zou blijven. Wat me op zich een mooie dood lijkt. Mijn moeder werkt in een bibliotheek, maar zelf leest ze nooit een bibliotheekboek. ‘God weet wat de mensen daar allemaal voor smerige dingen mee doen,’ zegt ze, ‘dat ga ik echt niet lezen. En zeker niet in bed.’

Opvoeding is niet beslissend, wel bepalend. Lezen op de wc komt in mijn gedragspatronen dan ook niet voor, dat is als vloeken in de kerk. Een boek wegdoen is een hoofdzonde, waardoor ik dus waarschijnlijk levenslang zit opgescheept met inschattingsfouten (De Joodse Messias), cadeaus (Ik ook van jou) en impulsaankopen (Colette, een zinnelijk leven – nooit gelezen), ontelbare boekenweekgeschenken en vodjes van Nederland Leest. Stel je voor dat ik nog eens ga verhuizen -echt verhuizen- ik moet er niet aan denken.

Toch is het wel fijn om veel boeken in huis te hebben, want ook kwantiteit telt. In tijden van crisis en ontij (Als er sneeuw is / Als er mist is / Als het ijzelt en je minnaar een sadist is *) voel ik me altijd bijzonder aangetrokken tot de bibliotheek. Het maakt niet echt uit wat voor een bibliotheek, maar wel liefst één met veel vreemde volumes en vergeten hoekjes. Ik ga namelijk niet echt lezen: meestal ga ik er gewoon zitten. Ineens krijg ik dan zo'n heel rustig en zen gevoel. Ik vermoed, dat muziek of het bos een dergelijke uitwerking hebben op andere mensen. Toch?




* Geleend van die andere bibliothecaresse, Annie M.G.


woensdag 25 mei 2011

Terra promessa

‘Weet je BB,’ zei een vriend van mij, ‘eigenlijk was jij in Rome als een vis in het water.’ Dat verbaasde me wel een beetje, want het komt niet overeen met mijn eigen beleving. In Rome voelde ik me meer als een vis op het droge: onmachtig scheldend op het openbaar vervoer, onmachtig weerstand te bieden aan twee borden pasta per dag, onmachtig om ook maar iets van nuttig werk voor elkaar te krijgen. Enzovoorts, enzovoorts, enzovoorts. Minstens een keer per week riep ik heel hard dat ik terug wilde naar Nederland.

Toch is Italië natuurlijk een leuke plek om te zijn voor een jonge vrouw uit een ander land. Dat komt, doordat veel dingen die elders niet kunnen, daar wel mogelijk zijn. Als ik bijvoorbeeld lastige bankzaken moest doen, trok ik een strak rokje aan en zette ik mijn allerliefste glimlach op. En kijk aan: de norse bankbediende verschoof eens op zijn stoel en pakte de dikke naslagwerken erbij. Voor een signorina met een charmant accent kan meestal wel een uitzondering worden gemaakt.

Voor een buitenlandse man daarentegen lijkt mij Italië juist helemaal niet prettig. Ja, natuurlijk zijn de vrouwen prachtig en elegant en als Sophia Loren. Jammer alleen dat ze je geen blik waardig gunnen. En natuurlijk rijdt iedereen heel creatief. Jammer alleen dat je bij de minste fout met je buitenlandse nummerbord meewarig wordt aangekeken. En als je een vrouw laat betalen, ook al ben je zes jaar samen en is het maar een kopje koffie, heb je al helemaal ieder respect verloren.

Nee, het lijkt me niets, Italië als man.


woensdag 18 mei 2011

OSM

Een week ben ik nu in het Gooi. Helemaal alleen. Dat is geen straf, want het is er heel mooi. Uit ieder raam waar ik kijk is groen. Overal fluiten vogeltjes. Soms zwaai ik naar een passerende eekhoorn, maar die rennen altijd snel een boom in als ze me in de smiezen krijgen. Kortom, allemaal bijzonder rustgevend en idyllisch. Langs de laantjes staan rietgedekte boerderijen. Zo nu en dan zoeft er een glimmende landrover voorbij. Soms zie ik een koetsje met een paard ervoor.

Bij de bushalte in het dorp leunt een man in een witte broek tegen een monumentaal huisje. Hij staat daar niet te wachten op een bus natuurlijk, niemand gaat hier met de bus. Hij poseert voor een fotograaf. De man draagt een donkerblauw jasje met gouden knopen en heeft zijn armen over elkaar gevouwen. Onverschrokken blikt hij in de lens. ‘Nu nog even met de labrador erbij,’ zegt de fotograaf, ‘voor het laatste shot.’ Dat wordt ongetwijfeld een puike foto voor in de Quoti.

In Lombok zie ik nooit een labrador. Er zijn wel katten, meestal een beetje van het groezelige genre. Ze worden in het geheel niet afgeschrikt door mijn overbuurman, als die weer eens op straat staat te zagen. De Surinaamse meneer met de cactusverzameling zwaait vanaf zijn leren bank als ik langskom. ‘Oeeeh!’ brult onze buurtgek, ‘oeeeeeeah!’ Hij draagt altijd hetzelfde voetbalshirt. Bij het oversteken moet ik goed uitkijken niet van de sokken te worden gereden door Turkse overmoedigheid in een blitse BMW.

Ik heb ineens een beetje heimwee, geloof ik.

woensdag 11 mei 2011

Zestien

Onder het klokkentorentje van mijn middelbare school bevond zich een afgeragde zolder met een stel zesdehands leren banken. Daar speelden zich de afterparties van onze schoolfeesten af, al heette dat destijds nog geen afterparty maar een ‘nafeest.’ Het klinkt niet best, maar het was wel leuk. Je kon eindelijk eens je naam heel groot op de muur kalken en met de jongens uit de zesde klas converseren, ook als je zelf pas in de vierde zat.

De feestcommissie verstrekte tijdens deze avonden kratjes bier aan de incrowd van de ZLC (wat stond voor Zeister Lyceïsten Club). Het was op de zolder dat ik -gesterkt door zo’n biertje- mijn eerste vriendje persoonlijk heb durven aanspreken. Allemaal goudomlijste herinneringen, die ieder jaar mooier worden.

Tegenwoordig is de ZLC zolder opgeruimd en witgeverfd. Het is nu een leslokaal. Er worden sowieso geen nafeesten meer gehouden, in verband met de alcohol. Een beetje overdreven, want au fond ging er nooit wat verkeerd. We kwamen tenslotte allemaal uit gegoede Zeister families en gingen een stralende carrière tegemoet. Het after-nafeest fietsen ging vaak niet zo soepel, maar gelukkig konden de meesten van ons desnoods kruipend naar huis.

Dat heb ik minstens drie keer moeten doen, inclusief de keer dat mijn fietssleuteltje op mysterieuze wijze niet meer in het slot paste en de nacht dat mijn Gazelle überhaupt niet functioneerde (wat de volgende ochtend veroorzaakt bleek te worden door de diagonale positie van het fietsstuur).

Heel jammer dat dat allemaal niet meer mag.

woensdag 4 mei 2011

Tenue de ville

En daar liep ik dan weer, op de Zuidas. Het waaide ontzettend hard en alle mannen hadden een pak aan. Niet een heel duur pak, want het is tenslotte geen Milaan. Maar toch: een pak. Het was vrijdagmiddag, of eigenlijk eerder het begin van de vrijdagavond, dus de stemming zat er goed in. Ik moest zijn in de Blauwe Engel, waar het bier per liter de tap uitstroomde en waar de mensen zelfs buiten in de kou opgewekt het begin van het weekend stonden te vieren.

De gepakte mannen in de Blauwe Engel bekeken mij allemaal van top tot teen, en daarna weer terug naar boven. Zozo, hoorde ik hun licht aangeschoten kantoorhersens denken, met dat meisje zouden wij misschien weleens een beschuitje.....enzovoorts. Maar ik was niet in de stemming voor beschuitjes, ik had met vrienden, of eigenlijk eerder oud-collega’s, afgesproken.

De oud-collega's hadden ook een pak aan, dus vielen ze niet erg op in de menigte. Nadat ik drie rondjes had gelopen en tien biertjes had afgeslagen, moest ik zelfs bellen om ze te vinden. ‘Hallo,’ zei ik, ‘sorry, maar ik kan jullie echt niet zien staan. Iedereen is hier in uniform.’ Begrijp me niet verkeerd, ik ben dol op mannen in pak. Alleen als het er veel bij elkaar zijn, dan lijkt het wel kolonie eenden.

Voor de man zelf valt het ook niet altijd mee. ‘Ik voel me een beetje alsof ik in de DDR woon en jij in het vrije westen,’ zei een modebewuste Duitse collega eens beteuterd tegen mij, ‘ik heb maar vier pakken en jij kunt alles aandoen wat je wilt.’ Dat moest ik beamen. Maar, troostte ik hem, het valt ook niet mee om elke dag weer een leuke haarband te vinden die past bij je rokje.

'En bovendien,' voegde ik eraan toe, 'een pak is vast hartstikke lekker warm als het waait.' Op de Zuidas bepaald geen overbodige luxe.

maandag 25 april 2011

Natuur


Mijn oma houdt van planten. Ook wel van vogels, maar ik denk het meest van groen. Vaak gaan we samen wandelen. Dat gaat weer heel prima, sinds ze een kunstheup heeft. Zo nu en dan staan we stil. ‘Wat is dat voor plant?’ vraagt oma dan. ‘Eh, een... eh... een boterbloem?’ probeer ik voorzichtig. Mijn oma zucht (heel) diep. ‘Een dotterbloem,’ zegt ze een beetje knorrig, ‘hoe vaak heb ik je dat al wel niet aangewezen?’

Vaak, dat geef ik meteen toe. ‘Maar thuis groeit dat allemaal niet, oma,’ verdedig ik mezelf, ‘in Utrecht zijn er alleen maar madeliefjes en paardenbloemen. En daarom vergeet ik het steeds weer.’ Oma schudt haar hoofd. ‘Je bent een stadskind,’ zegt ze, ‘daarom moet je extra goed opletten als je hier bent.’ Ik knik gehoorzaam. We lopen door.

‘Wat is dat nou, volgens jou?’ vraagt oma terwijl ze op de begroeiing van een akker wijst. Ik krijg het er helemaal warm van. ‘Tsja,’ zeg ik, terwijl ik heel erg hoop het goede antwoord te geven, ‘ik denk misschien...graan?’ Ik meen iets dergelijks weleens op de verpakking van meergranenkoekjes gezien te hebben. ‘Tarwe,’ zegt oma streng, ‘het is tarwe.’ ‘Is dat niet gewoon hetzelfde?’ vraag ik onschuldig. Oma kijkt moeilijk.

‘Eigenlijk vind ik planten niet zo interessant, mensen zijn toch veel leuker,’ waagde ik op een goede dag. Oma schudde toen haar hoofd. ‘Het is goed om te weten wat er groeit,’ zei ze resoluut. En dat was dat.

maandag 11 april 2011

Academia

Een tijdje deed ik onderzoek in Rome. Aan een Instituut. Dat klinkt serieus, en dat was het ook. Een instituut is een soort studentenhuis voor academici. Je krijgt een kamer, en de keuken en wasmachines moet je delen met de rest. Iedereen kweet zich gewetensvol aan zijn taak en om tien uur ging het licht uit. Al snel raakte ik inter-institutair bevriend met een ludieke Spaanse kunsthistorica. Niet alleen hadden de Spanjaarden er verstandig aan gedaan hun onderkomen ‘academia’ te dopen, maar ook kon je daar als kunstenaar een beurs voor krijgen.

Dat maakte het leven een stuk onconventioneler. ‘Ze zijn niet serieus,’ verzuchtte mijn vriendin Pilar vaak, ‘ik kan hier niet werken. Iedere nacht geven ze een feest. Dan zit je bij jullie beter.’ Inaqui bijvoorbeeld had zijn beurs verdiend met het project “het colosseum niet zien.” Hij maakte mooie filmpjes waarin je hem geblinddoekt zag ruiken, voelen en proeven aan de arenastenen. Ook was er een muizig meisje dat alleen maar schilderde in grijstinten. De bibliotheek stond op instorten, maar daar stond tegenover dat er een immense kunstcollectie hing.

Op een avond wandelden we door de tuin van de academia. Voor het tuinhuisje, waar een onnavolgbare componist resideerde, hielden we stil. ‘Ze zijn allemaal gek geworden,’ giechelde Pilar, ‘weet je wat ze hebben gedaan? Een wedstrijd in sexy onderbroekjes.’ De Spaanse mannen hadden haar, na wekenlange observatie van de waslijn, verkozen tot draagster van het meest barokke ondergoed. Toen ik terugkwam aan het Instituut kon ik nog net aanschuiven bij een discussie over veldwerk in Pompei. Ook leuk.

dinsdag 5 april 2011

Jarig

Hoe ouder je wordt, hoe minder spannend dat is. Voor je vijfde verjaardag kreeg je een vrolijke kroon van papier, een versierde stoel en mocht je uitdelen op school. Ook gaf je een partijtje. En eigenlijk was dat heel leuk. Soms, als ik bij de mensen naar binnen gluur, zie ik de volwassen variant van het partijtje. Dat ziet er dan uit als volgt: grote mannen en vrouwen die in een kring bier uit een flesje drinken of een stukje taart eten. Zo’n soort verjaardag wil ik natuurlijk niet. Toch heb ik het onbestemde gevoel dat er iets speciaals zou moeten gebeuren, maar ik weet niet precies wat. Het een beetje zoals met kerstmis. Opgelegde gezelligheid.

Uit protest en bij wijze van proef besloot ik daarom ooit één editie van mijn verjaardag helemaal alleen te beleven. Vieren kun je het in dat geval niet noemen. Alleen opstaan op je verjaardag is om te beginnen zeer weinig feestelijk – het is in feite de enige dag van het jaar dat ik het betreur geen hond in huis te hebben. Tegen beter weten in bleef ik hopen op een wonder. Een grote slagroomtaart in de keuken, een enorme berg post. Een oude vriend die speciaal van ver was gekomen om mij te zien. Maar er gebeurde niets, natuurlijk. Toen ik ’s avonds in mijn eentje bij de Turkse snackbar heel erg veel zelfmedelijden stond te hebben, realiseerde ik me dat ook dit geen oplossing kon zijn.

Dus vandaag doe ik gewoon weer ouderwets gezellig. Met slingers en ballonnen, en misschien zelfs wel kaarsjes op de taart. U mag allemaal bellen. Hoera!

vrijdag 25 maart 2011

Twaalfuurtje

Tegenover mij in de trein zat een man. Een man met een windjack en een broodtrommeltje op zijn knieën. Hij was opgestapt in Gouda. Opgeruimd opende hij zijn trommel. Er zaten twee bruine boterhammen in – met kaas. En een sinaasappel. De man begon met de sinaasappel. Uit de dichtritsbare zakken van zijn jack kwam een Zwitsers zakmes tevoorschijn. Daarmee begon hij zorgvuldig de vrucht te schillen.

Eerst de kontjes eraf. Daarna verder in een mooie ronde beweging, zodat de schil er in één stuk af komt. Zijn ellebogen gingen de lucht in van concentratie. Hij droeg ook een trouwring, zag ik nu. Uiteraard was hij getrouwd. Na de schil ging de onbekende man verder met het afpellen van het witte vel van de sinaasappel. Hij hield blijkbaar niet van velletjes, want hij deed dat heel precies.

De man keek even naar de vrucht en deelde hem in twee stukken. Toen stak hij, nogal abrupt, de ene helft in zijn mond en slikte. Veel te snel, na zoveel aandachtige arbeid. In tien seconden was alles op. Hij likte zijn lippen af en begon aan de boterhammen. Ook die schrokte hij in drie happen naar binnen. De man pakte een servetje en veegde daarmee zorgvuldig zijn zakmes af. Het mes ging terug in zijn jaszak en het servetje in de prullenbak.

Tevreden keek hij om zich heen. Lekker.

vrijdag 18 maart 2011

Gentleman

Op een druilerige herfstavond stond ik te wachten bij de bushalte aan de Via Ulisse Aldrovandi. Het was donker en het rook naar Rome en naar regen. Onder de druipende oleander zocht ik beschutting bij de muur rond de Villa Borghese. Daarachter bevond zich de dierentuin; af en toe klonk dan ook de natte lokroep van een tropische vogel. Mijn hoge hakken en ambassaderokje hadden last van het weer. Ik dacht aan de receptie waar ik die avond nog heen moest, en aan dat ik het eigenlijk zou moeten uitmaken met mijn vriend. Niet zo vrolijk.

Aan de Via Ulisse Aldrovandi ligt niet alleen een dierentuin, maar ook een heel mooi en duur hotel. Er logeren altijd belangrijke gasten van de nabijgelegen ambassades. Met zwierige gouden letters staat er ‘Aldrovandi’ boven de deur geschreven. Naast de ingang staan strak geknipte coniferen en er ligt een rode loper. Het is zo'n hotel waar het wemelt van de dames met Miu Miu tassen. Binnen blonken enorme kroonluchters boven een gepolijste balie. Vanaf de parkeerplaats draaide nu een glimmende donkere Mercedes de straat op.

Langzaam gleed de auto in de richting van de buspaal waarnaast ik verregend stond na te denken, en minderde vaart. Meteen was ik gealarmeerd. ‘Help,’ dacht ik, ‘HELP.’ Had ik nou maar gewoon een deugdzame rok aangetrokken. Waarschijnlijk leek ik heel veel op een treurig meisje van lichte zeden zonder geld voor een taxi terug. Ik ging nog dichter tegen de muur aan staan. ‘Laat hem doorrijden,’ bad ik (ineens religieus) tot de Heilige Maagd, ‘en alstublieft vooral geen oneerbare voorstellen doen....’ Het geblindeerde raam schoof open. Mijn hart sloeg drie keer zo snel als normaal.

Toen kwam er een papaplu naar buiten, en een hand.

‘Prego,’ zei een charmante dertiger, ‘una bella ragazza zoals jij moet niet nat worden in de regen.’

zondag 13 maart 2011

Sexy

Al beweer ik graag het tegendeel, in werkelijkheid conformeer ik natuurlijk net zo goed als iedereen. In Nederland geef ik me altijd meteen over aan het laat-maar-zitten-ik-trek-wel-gewoon-een-makkelijke-broek-aan gevoel. En wat draag je bij zo’n broek? Juist ja, sokken. Al maanden niet gedragen, werd ik me ineens weer pijnlijk bewust van de problematiek rondom de sok. Want. Het is voor mij vrijwel onmogelijk om twee dezelfde sokken vinden. Op de een of andere manier heb ik een hele berg met niet bij elkaar passende exemplaren.

Misschien zou het handig zijn als je je sokken aan elkaar kon haken in de was, dat zou een hoop schelen. Je kunt natuurlijk gewoon doorlopen op je twee ongelijke kousen. Maar dat geeft toch een ongemakkelijke asymmetrische sensatie, al voel je er eigenlijk niets van. Wat ik met enige regelmaat deed toen ik nog studeerde, was al mijn oude sokken in een keer weggooien en vijfentwintig paar dezelfde nieuwe, neutraal gekleurde paren kopen bij de HEMA. Maar dat geeft ook weer een beetje zo’n DDR-gevoel. En een sok is sowieso al niet erg spannend.

In die tijd nam ik eens een nieuw vriendje mee naar huis. ‘Zozo,’ zei mijn moeder tijdens het eten, ‘maar dat is niet zo elegant, een vriendin die altijd in een broek loopt’ (dat was ik). Mijn vriendje lachte een beetje onzeker. ‘Ja,’ ging ze verder, ‘en lastig ook. Die broek moet je eerst helemaal uittrekken als je met iemand naar bed gaat, dat lijkt me nog een heel gedoe.’ Mijn vriendje keek angstig mijn kant op. ‘En dan moet je ook nog die gekke sokken uitdoen. Basje heeft altijd sokken aan met gaten erin, dat lijkt me helemaal niet aantrekkelijk...’ ‘Zeg,’ onderbrak ik haar net op tijd, ‘wil er iemand nog wat aardappeltjes.’

Mijn moeder, het moge duidelijk zijn, is niet zo van het broekdragen. Nu ineens sokloos bij haar te logeren had ik haar enige paar geleend, in een diep verleden aangeschaft voor een tennisles. Toen ik ze na het uittrekken -in een poging er toch nog iets sexy's van te maken- nonchalant achter mijn rug gooide, vlogen ze linea recta het open raam uit en de lentelucht in. ‘Ehm, mam, je sokken hangen nu in de lindeboom, ben ik bang,’ zei ik bij het ontbijt. ‘Godzijdank,’ antwoordde ze zichtbaar opgelucht.

dinsdag 8 maart 2011

Buitengewoon

Donderdagavond at ik met mijn huisgenoot. ‘Ik ga iets schrijven,’ kondigde ik aan, ‘over eigenzinnigheid.’ ‘Ah, iets over jezelf,’ veronderstelde hij achteloos, ondertussen trachtend zijn lasagna in evenredige porties te verdelen. ‘Jeetje, ben ik zo excentriek dan?’ vroeg ik meteen nieuwsgierig. ‘Oh neenee,’ zei hij haastig, ‘nee, nee, nee, dat bedoel ik natuurlijk helemaal niet. Je bent, uhm..... heel origineel.’

Origineel, weten we allemaal, is een eufemisme voor stapelgek. Ongeveer net als interessant een gebruikersvriendelijke term is voor raar. En dat terwijl ik tegenwoordig juist heel aimabel in de omgang ben. Ik schreeuw niet tegen mensen, ik maak ze (meestal) niet aan het huilen en eet mijn bord leeg. Ook luister ik beleefd naar dingen die verschrikkelijk langdradig, irrelevant of dom zijn. Op zaterdag doe ik boodschappen en op zondag de was. Nogal saai.

Als kind was ik veel leuker dan nu. Mijn ouders waren uiterst bemoedigende opvoeders. Binnen het redelijke was eigenlijk alles mogelijk (‘als ze een atoombom gooit, staat haar moeder nog te applaudisseren,’ schreef een ex-vriend verbitterd). Niets moest, waardoor ik zalige jaren lang alleen maar witte boterhammen met hagelslag lustte, leerde fietsen toen ik al bijna meerderjarig was en in verkleedkleren naar school ging.

Jammer dat de maatschappij met veel van die eigenzinnige dingen korte metten heeft gemaakt. Maar blijkbaar hebben bepaalde hardnekkige karakterelementen –zonder dat ik me daar bewust van ben- toch stand weten te houden. Wat zou het geweest zijn? Mijn muts van Russisch konijnenbont? Binnenshuis bellenblazen? Huppelen op straat? Het voorstel om de azalea op de vensterbank met een grote schaar te verknippen? Ik kon zo snel eigenlijk niet veel excentriekers bedenken. Maar misschien ben ik wel zo gek dat ik het zelf niet meer zie.

‘Neem nog een glaasje wijn,’ zei mijn huisgenoot verontschuldigend, ‘ik bedoelde er verder niets mee, hoor.’

En bedankt.

zondag 27 februari 2011

Blij

‘Telefoon voor je,’ zei mijn moeder op een dag in de jaren negentig. ‘Marieke.’ Dat was interessant, want Marieke had mij nog nooit ergens voor gebeld. Ze zat bij me in de klas, maar ze had Grieks en ik Latijn, zij Duits en ik Frans, zij aardrijkskunde en ik economie. Voor zover ik wist hoefden we niet samen een werkstuk te maken. Verwachtingsvol nam ik dus de hoorn op. ‘Ja hoi,’ zei Marieke, ‘misschien een beetje gek. Maar ik bel je, omdat ik je stukje in de schoolkrant heb gelezen.’ ‘Ah?’ ‘Ik vond het heel grappig,’ ging ze verder, ‘en ik dacht, als je zin hebt, kunnen we samen in de redactie gaan. ‘

Aldus geschiedde. We gingen verder als beste vriendinnen, zoals dat toen heette, en redden de schoolkrant, een noodlijdend instituut, van een gewisse dood. We pasten samen op, gingen samen op schoolreis en werden verliefd op dezelfde jongen. We zagen samen een ontzagwekkende hoeveelheid kunst en verknipten de Vogue Italia voor wazige artistieke doeleinden. Ook werden Marieke en ik vaak erg dronken, zo dronken als ik later nooit meer ben geweest. Er waren lange avonden waarop we gevloerd waren door de drank (althans ik), ondertussen roepend dat we echt hoognodig zuivel moesten eten om weer nuchter te worden.

Later verhuisde Marieke naar Amsterdam. Bij haar hospita in de Rivierenbuurt kreeg het begrip "op kamers" context en gingen we voor het eerst naar de Escape (‘Zitten daar nou mensen te snuiven...? Neeeee, dat kan gewoon niet waar zijn...’). Toen volgde een lange periode van stilte waarin we allebei heel verschillende dingen deden. Na vier jaar kwam ze logeren in Rome. In de Villa Borghese bleek dat Marieke de mythologie nog altijd beter paraat had dan ik. Dat er nog steeds een potje handcrème meeging. En dat we ook nog fijn ruzie konden maken over wie de fles met water dragen moest.

‘Weet je, dat je eigenlijk helemaal niet veranderd bent?’ vroeg Marieke toen we later over het Piazza di Spagna liepen.

Van sommige mensen ben je gewoon ontzettend blij dat ze bestaan.

zaterdag 19 februari 2011

Lief

Mijn eerste vriendje heette Ivo en hij speelde gitaar. Het was een godswonder dat Ivo mij zag staan, want hij was echt heel populair, terwijl ik een beetje onderaan de sociale pikorde bungelde met mijn schoolkrant en Nana Mouskouri bril. Toen ik voor de eerste keer zoende met Ivo was het net alsof de grond wegzakte en de wereld wegviel. Zonder Ivo leek het allemaal nergens op. Heel veel lange koude winteravonden lagen we samen op de bank, en rond half vijf fietste hij me dan weer naar huis.

Het zwijgzame mannenhuishouden van mijn geliefde was wel even schrikken na de gebloemde kopjes thee waar ik tenslotte aan gewend was. Ik leerde allemaal nieuwe dingen, zoals het verschil tussen een Honda CRX en een Honda Prelude en dat een gitaar zes snaren heeft maar soms ook acht of twaalf. Ik leerde wie Jimi Hendrix was en waarom hij belangrijk is. Dat bier ook per krat wordt verkocht en dat Indisch eten heel lekker is.

Een dag zonder Ivo was een dag niet geleefd. Ik maakte de inschattingsfout een week –alleen- naar mijn vader in Verona te gaan. Dat zou te overbruggen zijn, dachten we. De eerste dag huilde ik bij het ontbijt. De tweede dag bij het ontbijt en bij het middageten. Op de derde ochtend in tranen zuchtte mijn vader diep en sprak ‘neem die jongen de volgende keer maar mee.’ Vervolgens stapte hij hoofdschuddend in de auto, annuleerde mijn vlucht en reed me helemaal terug naar Nederland. Onderweg voelde ik me iedere minuut blijer, als een bloempje dat in het water is gezet.

Dat was een lieve tijd.

zaterdag 29 januari 2011

Aart

Op een groen geschilderd bankje bij de bushalte zat Aart. Hij zat daar al zo lang ik me kon herinneren van negen tot zes, en rookte zware shag. Daarbij rochelde hij van tijd tot tijd onrustbarend. Aart woonde in een woongroep die naast onze school stond. ‘Voor mensen die niet goed voor zichzelf kunnen zorgen,’ zei mijn moeder. ‘Voor gekken,’ zeiden we in de klas.

Gek of niet, overdag mochten de onzelfstandig wonenden zonder begeleiding de straat op. En dat deed Aart dan ook. Hij was bovengemiddeld lang en liep met gebogen rug, het leek wel een hoepel. Al decennia had hij dezelfde kleren aan, een bruine broek met blauw jasje. Boven zijn grauw ingevallen gezicht krulde een bos pluizig haar in een soort tijdloos afrokapsel.

Onder zijn medebewoners was een mevrouw met een rollator die elke dag naar het café op de hoek liep, om daar glaasjes advocaat te drinken. En een jongeman die Philip heette en vooral berucht was bij de plaatselijke middenstand (omdat hij eindeloos door bleef ouwehoeren tegen het personeel) en bij meisjes in de puberteit (omdat hij ook graag met jonge meisjes praatte).

Met Aart was het tegendeel aan de hand. Aart praatte namelijk met niemand. Hij rookte. Op een bepaald moment in de jaren tachtig had hij zich het bankje bij de halte van lijn 54 toegeëigend, en daar zat hij berustend te wachten. De buschauffeur kende hem en stopte dus niet. Weer of geen weer, het vertrouwde gerochel van Aart klonk altijd van achter de grote eikenboom vandaan.

Op een dag zat Aart niet meer op zijn bankje. Was hij dood? Overgeplaatst naar een ander tehuis? Of toch maar eens ingestapt richting Woudenberg? Ik hoop het laatste.

zaterdag 22 januari 2011

Andijvie


Toen ik vier werd, kreeg ik van mijn vader een konijn. Zwart met wit. Hij timmerde er ook een ren voor, waar hij drie zonnige zaterdagmiddagen mee in de weer was. Mijn moeder was niet erg gecharmeerd van de gezinsuitbreiding, want een dier hoort niet in een hok, vond ze. Wellicht om het beest een beetje te troosten gaf ze hem uitsluitend exquise hapjes. Heel lang heb ik niet geweten dat mensen ook andijvie kunnen eten, dat ging bij ons altijd regelrecht naar het konijnenhok. Net als wortels, trouwens. Op dit krachtvoer-dieet bereikte het konijn de recordleeftijd van vijftien jaar.

Ook kreeg hij zo nu en dan een zogenaamde knabbelstok. Deze knabbelstok plachtten wij af te nemen bij de dierenwinkel op de hoek, sinds jaar en dag gerund door een aardige blonde kerel met de naam Dirk. (‘Leeft-ie nou nóg?’ vroeg Dirk elke keer stomverbaasd.) In de dierenwinkel was veel te zien. Dit was allemaal voordat de slangen en de baardagamen hun intrede deden in het Hollandse huishouden. Destijds waren er vooral klassieke hamsters, konijntjes, vissen en vogeltjes te vinden. In de geurcocktail van cavia en hondenbrokjes zat ik er urenlang met mijn neus tegen een van de acquaria geplakt.

De ren van mijn vader, bleek al snel, was niet zo degelijk als wij dachten. Zo nu en dan ontsnapte het konijn, dat natuurlijk ook wel eens een avontuurtje wilde. Hij liep nooit echt weg, maar verschanste zich in de buurtuin. Daar had hij het reuze naar zijn zin. Het was dan ook een grasveld van olympische afmetingen met diepe borders. Om nooit nader gespecificeerde redenen durfde mijn moeder het dier niet op te pakken, en -het moet gezegd- ik was ook vrij onhandig. In zo'n situatie werd mijn vader op zijn werk gebeld. Hij sprong dan meteen in de auto om de crisis te bezweren. Ik zie hem nog met onze bejaarde buurman achter het konijn aan hollen. In pak.

zondag 16 januari 2011

Magisch

De Efteling. Wie is er niet groot mee geworden? Denk eens terug aan de goede dagen dat we het uitkraaiden van plezier als we het zevende geitje in de klok ontwaarden en van zingende paddenstoel naar zingende paddenstoel renden. Mijn moeder wilde altijd heel lang kijken naar de rode schoentjes, maar dat was eigenlijk niet zo spectaculair. Nee, dan de grote groene draak! Die rook ook altijd een beetje naar verbrand rubber. Heel spannend was dat.

Maar het allerbeste en allermooiste van het sprookjesbos vond ik de Indische waterlelies, gebaseerd op een verder totaal onbekend sprookje van de hand van koningin Fabiola (wist u het?). Vroeger was de stem die het verhaal vertelde van Fabiola zelf, tegenwoordig is het Paul de Leeuw (oh gruwel) met zijn lijmstem. Op zich niet zo erg, het verhaal was toch altijd al volkomen onduidelijk. Iets met een heks, en een vloek, en sterren, of zo.

In ieder geval. Als het nacht was, gingen de betoverde waterlelies open en dan dansten daar een soort van elfjes in. Ze dansten op een heel koddig doch pakkend deuntje dat ook nu nog zijn emotionele uitwerking op mij niet mist. Zelfs nu op een filmpje vind ik het nog mooi om te zien, ook al valt ineens op dat de popjes houterig bewegen en de ganzen niet helemaal in de maat deinen. Het blijft magisch. Jammer dat het maar twee minuten duurt.


zaterdag 8 januari 2011

Carrière

Toen ik me eens in een existentiële crisis bevond, besloot ik vat op de zaak te krijgen door een zogenaamde loopbaanoriëntatiecursus te volgen. Tijdens zo’n cursus word je gedwongen om doorwrochte vragenlijsten in te vullen, iets waar ieder weldenkend mens normaal gesproken onderuit probeert te komen. "Geef aan in welke mate u genoemde waarden in uw werk wilt terugvinden: macht - dichtbij de natuur - nadenken over de zin van het leven." Moeizaam. Het invullen van de lijsten duurde een dag.

Op de tweede dag mocht je praten over wat je wilde worden toen je klein was, dat leek me nog wel leuk. Er waren helaas geen mannen bij, die willen natuurlijk niet abstract ouwehoeren over hun jeugdtrauma's en onbenutte competentiepotentieel. Geen brandweermannen of politiedromen dus. Nee, de meisjes in mijn groep hadden altijd juf willen worden. Of dierenverzorgster of banketbakker.

Natuurlijk bestaan er kinderen die als kleuter al kraaien dat ze later gaan leren voor dokter, en dat dan ook echt doen. Laat ik het maar meteen zeggen, ik was niet zo’n kind. Eigenlijk wilde ik altijd gewoon het liefste zestien zijn, maar toen ik dat eenmaal was geworden bleek het toch niet zaligmakend.

Wellicht kwam dit gebrek aan inspiratie doordat er maar weinig concrete beroepen in mijn omgeving te bespeuren waren. De vaders van de vriendinnetjes van de chique school die ik bezocht waren Afwezige Mannen in driedelig grijs met een dure auto en een dure bril. Van de meesten weet ik nog steeds niet wat ze eigenlijk doen. Hoewel, er was een tandarts bij, dat was weliswaar concreet maar doodeng.

Dit alles bracht mij een beetje in een lastig parket bij de loopbaancursus. Ongemakkelijk schoof ik op mijn stoel heen en weer. Toe maar,’ zei de aardige mevrouw van de cursus bemoedigend. ‘Prinses,’ fluisterde ik uiteindelijk blozend, ‘ik wilde prinses worden.’

Eigenlijk nog steeds.

vrijdag 31 december 2010

Praktijk

Een jaar geleden schreef ik hier mijn eerste stukje: over het theorie-examen. In de tussentijd is het me godzijdank gelukt om ook het praktische gedeelte van het rijbewijs met succes af te ronden. In een keer, zeg ik er steeds trots bij. Wel met zestig lessen van anderhalf uur, maar dat hoeft niemand te weten behalve u, ik en mijn vader die zo goed was de zaak geheel belangeloos te bekostigen. Nou ja, geheel belangeloos. Misschien met oog op de toekomst, als hij oud en krakkemikkig is en ik hem rond mag rijden. Wie zal het zeggen.

Op een gegeven moment had ik zoveel rijles gehad, dat ik begon te denken als mijn theorieboek. Autorijden is als het leven zelf, filosofeerde ik dan. Het is een kwestie van opletten, en zo goed mogelijk anticiperen. Van voorzichtig en toch daadkrachtig optreden. Met als uitgangspunt de andere deelnemers zo min mogelijk te hinderen, al lukt dat vaak niet (‘Dat vind ik niet zo’n goede oplossing, die je daar kiest,’ zei mijn rijleraar Piet dan, wat rijleraarjargon is voor FOUT).

Sinds de memorabele dag van het afrijden moet ik het stellen zonder Piet, die inmiddels ook mijn psycholoog en relatieanalist was geworden. ‘Basje meisje,’ zei Piet bijvoorbeeld, ‘jij moet een grote meid worden in het verkeer, en niet steeds zo zitten piepen.’ Daar had hij zeker gelijk in. ‘Vooruitkijken, niet steeds in het gebeurde blijven hangen,' zei Piet ook, 'anders ga je alleen maar meer fouten maken.’ Alweer een waarheid die staat als een huis, en ook buiten de auto zeer toepasbaar is. 'Piet, jij geeft geen rijles, jij geeft therapie,' zei ik regelmatig.

‘En het kost niks extra,’ voegde Piet er dan met een knipoog aan toe.

vrijdag 17 december 2010

Artis

Ik gaf de Schrijver altijd een jaarabonnement op Artis voor zijn verjaardag. In het bijzonder waren wij gehecht geraakt aan nijlpaard Tanja. Zij woonde in een piepklein betonnen bassin maar kon wegens ouderdom niet kon worden verhuisd (dat laatste hadden we gelezen in het Artisblad). Verder stonden we altijd even extra lang stil bij de twee geleende ijsberen uit Parijs, die zonder onderbreking neurotisch rondjes liepen op hun cementen ijsschots.

Mijn vriend ging –naar eigen zeggen- vooral naar Artis om ongelukkige gezinnen te observeren. ‘Kijk poezie, daar lopen er weer een paar,’ wees hij dan. Ik knikte en smeerde nog maar eens wat lipgloss op. Destijds (anno 2002) was ik een grootverbruiker van lipgloss, meestal met aardbeiensmaak of soms met een beetje glitter. ‘Lippenstift bewaart ze wel voor later,’ zongen de Schrijver en Martin dan, ‘dat loopt veel te veel in de gaten’ (Kinderen voor Kinderen 7).

Ik zelf had het eigenlijk niet zo op Artis. De flamingo’s bij de ingang stonden in een bruine plas water te wachten op beter weer, en leken te lijden aan ernstige depressies. Ook de meeste katachtigen maakten een uitgebluste indruk in de druilerige oktoberregen. Sommige dieren zaten binnen, maar daar werd het niet veel beter van. Zo was er een broeierig "reptielenhuis" met een verzameling enge klamme krokodillen en een sterk stinkend "apenhuis" waar een kolonie overdekte apen ongeinspireerd in de touwen bungelde.

'Je mist het punt, poezie,' zei mijn vriend dan, 'je mist het punt. Artis is een Echte Autenthieke Amsterdamse Stadsdierentuin. En waar vind je dat nog, vandaag de dag?' Inderdaad. Misschien wordt het tijd om weer eens richting Artis te gaan om de situatie te herevalueren. Het zal natuurlijk niet meer hetzelfde zijn als toen. Tanja is vorig jaar overleden, las ik. De ijsberen zijn terug naar Parijs. Maar ongelukkige gezinnen zijn van alle tijden. En lippenstift bewaar ik nog steeds voor later.

dinsdag 7 december 2010

Poezie

Op een goede dag in ons eindexamenjaar zochten mijn vriendinnetje en ik voor de schoolkrant een flamboyante oud-leerling om een leuk stukje te schrijven. Onze leraar Nederlands, zelf auteur van enige dichtbundels, tipte een student journalistiek uit Amsterdam. ‘Hij drinkt stevig en is een beetje gek, maar hij schrijft goed,’ waarschuwde hij.

De docent had niets teveel gezegd. Al spoedig na ons contact met de journalist in spe begon mijn naam op te duiken in columns van obscure -en helaas ook minder obscure- studentenblaadjes. In dat soort columns was ik dan zestien, droeg ik Snoopyondergoed en speelde ik volleybal. Dat vond ik niet leuk. Ik was namelijk net achttien geworden en droeg uitsluitend Hello Kitty onderbroeken, en ik had een hekel aan bijdehante jongens die stukjes over mij schreven.

De schrijvende student deed daarop iets slims. Hij nodigde mij uit bij hem thuis. Destijds bewoonde hij de vierde etage van een grachtenpand, samen met zijn beste vriend Martin, die hij introduceerde als ‘de nicht.’ Die vier verdiepingen vielen nog niet mee, vooral niet als je veel wijnflessen mee naar boven moest sjouwen, en zeker niet als je na het drinken daarvan weer naar beneden moest. Maar het uitzicht op de Westertoren was subliem.

Ik flikkerde meteen die avond – en niet eens met opzet - een glas rode wijn over het witte tapijt. ‘Geeft niks,’ zei de Schrijver, ‘dat er nog maar vele glazen mogen volgen.’ Niet lang daarop raakten wij inderdaad verzeild in een langdurige doch enigszins dysfunctionele relatie. Een relatie waarin ik regelmatig croissants uit het raam gooide, stampvoette als iets me niet zinde, 's nachts scheldend langs de grachten rende en ‘poezie’ heette.

‘Die poezie van jou, die blijft niet,’ sprak Martin op een dag profetisch terwijl hij een trek nam van zijn sigaret, ‘over een jaar of tien, als wij allang in de goot liggen te verrekken, dan rijdt er een enorme auto voorbij en daar zit zij dan in. Naast een rijke man.’ ‘Niet waar, ‘riep ik beledigd, ‘niet. Dat zou ik nooit doen. Ik blijf altijd bij jullie. Altijd.’

‘Voorlopig,’ zei Martin bedachtzaam, ‘voorlopig.’

woensdag 1 december 2010

Kus

In de wijze van begroeten liggen belangrijke interculturele verschillen besloten. Voor mannen zijn de problemen groter dan voor vrouwen, omdat die elkaar in Nederland blijkbaar niet zomaar op de wang kunnen zoenen. In plaats daarvan wordt een soort van stoer ritueel uitgevoerd dat een combinatie is tussen een handdruk en een joviale klap op de schouder. In de meer mediterrane landen daarentegen dient juist te worden gekust en omhelsd. In Afrika zag ik ook vaak mannen hand in hand lopen. Dacht ik eerst dat het een heel homosueel-vriendelijk gebied was, maar het bleek bij nader inzien een normale vriendschapsuiting te zijn.

Ook voor de kussende vrouw zijn er echter enige kanttekeningen. De Hollandse zoen is tegenwoordig standaard drievoudig, te beginnen bij de rechterwang (jouw rechterwang, de linkerwang van de gekuste). Dat heeft zelfs een naam: de Brabantse drieklapper. In het Italiaans wordt slechts tweemaal gekust en dan (let op) links beginnen, terwijl Frans tweemaal vanaf rechts is. Dit bezorgt heel wat Nederlanders vervelende neussituaties en is ook nog eens lokaal gebonden: in Arles bijvoorbeeld is het verwarrend genoeg drie zoenen (maar ik ben alweer vergeten aan welke kant men dient te starten). De Belgische zoen is geloof ik een enkele kus vanaf rechts, maar ook dat durf ik niet helemaal met zekerheid te zeggen.

Nu komt natuurlijk het meest interessante gedeelte. Zijn er ook dergelijke verschillen in de tongzoen, vraag ik me af. Zou de French kiss een soort universele standaard zijn, zegmaar de Bic Mac van de kus? In theorie lijkt me van wel, alleen in praktijk heb ik eigenlijk geen flauw idee. Maar als Europese trainee heb ik volop mogelijkheden om dat te gaan ontdekken. Als je werkt bij de Commissie ga je niet op zakenreis, of business trip, je vertrekt op een Missie. Dat klinkt heel interessant, alsof je uit naam van de Europese Unie de wereld gaat redden of zoiets. Dus begin ik hier met mijn eigen Missie. Ik houd u op de hoogte.

dinsdag 30 november 2010

Traditie

Om te beginnen met een understatement: ik ben van huis uit vrij strikt met thee. Ik heb dan ook nog wat appeltjes te schillen met de marketingafdeling van Sara Lee, het concern dat de van oorsprong zo prachtige Hollandse theebeleving in enkele decennia naar cup-a-soup niveau heeft getorpedeerd. Recentelijk achtte men de markt zelfs rijp voor een wanstaltig product genaamd ‘Tpads’, maar dat is het gelukkig niet geworden. Omdat wij echter toch toe waren aan iets nieuws, introduceerde Lipton kekke zakjes in piramidevorm met daarin zowaar echte (wow) theeblaadjes. Vergeleken met de vergruisde surrogaatsubstantie die ons sinds jaar en dag door Pickwick als thee wordt verkocht, is deze revolutionaire 'losse thee' (sic) natuurlijk wel degelijk een vooruitgang.

Het uitgesabbelde zakje is godzijdank op zijn retour, dat durf je je visite niet meer aan te bieden. Nu willen wij alles vers. Daarom drinken we ook steeds meer ‘verse muntthee.’ De benaming is wellicht wat florissant voor wat het is, namelijk heet water met een paar ongewassen takjes muntbladeren erin. Met een beetje geluk krijg je er een knijpfles honing bij, en dat is dan je oosterse smaaksensatie. Het doet mij altijd wel wat denken aan een dampend glas slootwater. De vaardigheid van het theezetten dreigt helaas onherroepelijk verloren te gaan, daar helpt geen muntthee aan. En dat terwijl het een bijzonder rustgevende ceremonie is in tijden van nood en crisis. Daarom bij deze.

Zet een ketel water op (geen nieuwerwetse waterkoker natuurlijk). Als de ketel fluit, de theepot even omspoelen met heet water. Dan een schep blaadjes erin. Water erbij, deksel erop, theemuts eroverheen en even laten trekken. Bij het schenken niet vergeten een zeefje gebruiken. Dit is een moeilijk punt voor generatie Y, merk ik dikwijls. Het is aandoenlijk om te zien hoe men hulpeloos een zeefje blaadjes in het kopje probeert te hangen, of (ook vaak gezien) heet water door het met bladeren gevulde zeefje begint te schenken. Voor eens en voor altijd: een theezeefje is uitsluitend bedoeld om te voorkomen dat je theeblaadjes in je kopje krijgt.

En vergeet de koekjes niet.

zondag 21 november 2010

Lastig

Ook op het idealistische vlak stelt een mens prioriteiten. Zo ben ik erg afkerig van alles wat neigt naar bio-industrie, en houd ik nauwlettend in de gaten wat voor kippenwelzijnsnummertje er op mijn ei gestempeld staat. Daarentegen maak ik me zelden tot nooit zorgen over climate change (voorheen: global warming) of uitstervende pandaberen. Het scheiden van afval is ook nooit een van mijn aandachtspunten geweest. Papier en glas apart, zo ver ben ik inmiddels wel, maar de rest pleur ik met zeer veel voldoening in één grote bak.

In Brussel is dat helaas niet mogelijk. Er wordt hier gewerkt met een ingenieus systeem gekleurde zakken, waarvoor ik een begeleidend schrijven ter hand moest nemen. Het begon op het eerste gezicht logisch, namelijk met een groene zak voor het plantaardige afval. Deze zak kan echter maar van april tot november worden gebruikt. De andere maanden moeten de groene spullen namelijk in de witte zak (daarover later meer). Dan is er nog een gele zak voor papier (‘but only not food-soiled or greaseproof’). Met de blauwe zak wordt het nog weer lastiger. Deze is bedoeld voor recyclebaar verpakkingsmateriaal zoals hard plastic, aluminium bakjes en drinkverpakkingen. Dit alles dient schoon te worden aangeleverd (‘think of the person who has to hand-sort your trash on conveyer belts’). Yoghurtpotjes, dun verpakkingsplastic en aluminiumfolie moeten echter niet in de blauwe maar in de witte zak, bij al het niet-afbreekbare vuilnis.

Nu durf ik nauwelijks nog iets weg te gooien. Bij ieder stukje plastic vraag ik me af, of het nu herbruikbaar hard plastic is voor in de blauwe zak, of dat het onherroepelijk vervuilend witte-zaksafval is. En als het in de blauwe zak gaat, moet ik het eerst nog afwassen ook. Ook maak ik me zorgen om bevlekt papier: in de gele zak of bij twijfel toch kiezen voor wit? Net was ik een beetje gewend aan het Nederlandse GFT systeem – wel de kaas in de groene container maar de korstjes juist weer niet –en nu moet er alweer worden omgeschoold. Ik vraag me soms wel af, hoe minder bewuste mensen dat allemaal voor elkaar krijgen.

maandag 1 november 2010

Naakt

Ik stond in een lange rij om een treinkaartje te kopen op Brussel Centraal. Achter mij een oudere heer, met wie ik aan de praat raakte over de lengte van de rij. ‘Vous n’êtes pas d’ici,’ stelde hij na drie zinnen vast. Dat vond ik niet zo leuk, want ik heb net een halfjaar in Frankrijk zitten peuteren op mijn Frans. Maar goed, voor de rest was het een heel vriendelijke meneer. We praatten een tijdje over koetjes en kalfjes en politiek en immigratie. De oudere heer kwam uit het voormalige Joegoslavië, maar in de jaren ’50 was hij naar Parijs verhuisd. En Nederland, dat kende hij wel, daar had hij wel eens een exposé gehouden.

‘Waarover dan?’ vroeg ik dus. Dat stomme Frans ook. Hij had geen exposé gehouden, hij had geëxposeerd. ‘Ik ben schilder,’ verklaarde de keurige meneer. ‘Wat voor soort werk maakt u zoal?’ vroeg ik geïnteresseerd. ‘Dat kan ik u niet uitleggen, mademoiselle,’ verzuchtte de heer, ‘dat is net zoals iemand vragen wat voor muziek hij maakt. Maar,’ begon hij in zijn zakken te zoeken, ‘ik heb wel een pagina op internet. Daar kunt u misschien eens op kijken.’ ‘Heel graag,’ zei ik beleefd. Uit zijn portefeuille haalde hij een dun strookje papier waar een keurig handgeschreven internetadres op stond. Hoe snoezig, dacht ik nog.

Om vervolgens het gesprek meteen weer te vergeten, zoals die dingen nou eenmaal gaan op een station, tot het papiertje gisteren ineens uit mijn agenda kwam waaien. Ach ja, die keurige heer. Nieuwsgierig tikte ik het webadres in van Konstantin Stefanovitch, zoals hij bleek te heten. Het was een site in zwart en wit en met eenvoudig lettertype, van iemand die geboren is voor het begin van het digitale tijdperk. Ik vond een grote collectie schilderijen, maar voornamelijk elegante etsen van naakte jongedames. Die meneer Stefanovitch. Op zijn oude dag deed hij dat dan toch allemaal maar mooi. Er stond ook een mailadres bij.

Zou ik durven?

donderdag 21 oktober 2010

Perfect

Onlangs logeerde een vriend bij mij. ‘Weet je B., dat jij onmogelijk met iemand kunt samenwonen,’ sprak hij monter toen hij weer vertrok. ‘Denk je dat nou heus?’ piepte ik benauwd. Hij dacht dat heus. Goed nieuws is dan ook dat ik krap twee weken na dit onheilspellende bericht toch ineens samenwoon. In Brussel en met een man. Die man is niet mijn vriend, tenminste niet als in het begrip Vaste Relatie (dat is een klein detail). Maar goed, het is een begin.

De man heet Alexander, maar dan in het Frans, dus Alexohndre. Vooralsnog doet hij het voorbeeldig. Zonnig assisteerde hij bij de verhuizing, geroutineerd pakte hij mijn moeder in en mijn spullen uit. Hulpvaardig schroefde hij zonder morren een IKEA bed in elkaar, waarna hij gelukkig wel verklaarde eigenlijk een enorme hekel te hebben aan IKEA.

Proefondervindelijke ervaring leerde mij dat Franse jongens (niet alleen Franse, trouwens) vaak een beetje ludiek zijn in het huishouden, dus had ik me terdege voorbereid op een paar middagen soppen en schrobben. De schuursponsjes had ik zelfs vast bovenin de verhuisdozen gelegd, zodat ik meteen kon beginnen. Dat bleek echter een voorbarige maatregel, want alles blonk me tegemoet. Ik vond schelpjes in de badkamer, biologisch appelsap in de koelkast en een thee-ei.

Vooral na het zien van dat thee-ei werd ik een beetje huiverig. Want het is wel zeker dat ik een veel onaangepastere en onopgeruimdere huisgenoot ben dan Alexohndre. Die op zondagochtend een eitje bakte en zorgzaam vroeg of ik dat met een hele dooier had willen hebben of juist liever niet. En zeer intellectueel interessante boeken leest en gitaar speelt. En desgevraagd verklaarde dol te zijn op zijn kleine neefje van zes. En niet eens homosueel is.

‘Ja,’ zei mijn Allerbeste Vriendin, die langskwam en meteen keurend alle keukenkastjes opentrok, ‘er is zelfs gember in huis. Hij is perfect!’ ‘Ik weet het,’ zei ik zuchtend, ‘hoe moet dat nu verder?’ Ik zal heel erg mijn best moeten gaan doen, dat is een ding dat zeker is.