zondag 1 juli 2012

Pauze


Na tweeënhalf jaar stukjes neemt Basje B. een break. 
Om te werken aan langere verhalen, en aan een baan. 

À bientôt! 


donderdag 28 juni 2012

Scheiden (II)



Ik was op het politiebureau van Ixelles, niet voor een inbreuk maar voor een inlichting. De beambten zaten enigszins verfrummeld achter een dubbel loket. Ook de politie is een gemoedelijke bedoening in België.

Naast mij schoof een klein donker meneertje voor de spreekopening. Hij had zich al een paar dagen niet geschoren. ‘Hallo,’ zei hij in het Frans tegen de dienstdoende agent, ‘wij komen voor een scheiding.’ Daarbij wees hij naar een klein mevrouwtje dat hij bij zich had.

‘Scheiden, dat kan hier niet,’ sprak de beambte berustend, ‘dit is het politiebureau.’

De man keek beduusd. ‘Maar wij willen scheiden,’ verduidelijkte hij toen. ‘Mijn vrouw,’ (daarbij wees hij op het mevrouwtje) ‘mijn vrouw wil niet meer bij mij wonen. Zij wil bij mij weg.’

Dat was een behoorlijke confessie, zo in de openbare ruimte. Sluiks keek ik naar het mevrouwtje. Zij gaf geen kik, wat verstandig was natuurlijk, maar ook heel goed kon komen doordat zij het Frans noch Vlaams machtig was. Zo op het oog had ze geen blauwe plekken.

‘Nee,’ legde de agent uit, ‘u kunt wel scheiden, maar niet hier. U moet naar het gemeentehuis. Hiernaast.’

Het meneertje dacht even na, en wees toen aarzelend naar buiten. ‘Ja, het gebouw hiernaast,’ bevestigde de ambtenaar. ‘Daar kunt u scheiden.’

Verward verliet het echtpaar de ruimte. Zij liep een stapje achter haar man. Toch wel.

dinsdag 1 mei 2012

Manipulatie


Albert Heijn heeft niet alleen een waardeloos huismerk, maar ook van die suffe spaaracties waarbij je dingen krijgt die ik helemaal niet zou willen hebben (wuppies, om maar eens wat te noemen). Maar goed, als je weinig verwacht valt het soms mee. Een vriendin van mij kwam onlangs aanzetten met de laatste manipulatie van onze nationale kruidenier: miniboodschapjes. ‘Kijk, voor in een poppenhuis!’ riep ze enthousiast uit. Ik vond het ook leuk, eerlijk gezegd.

Dit schijnt een normaal menselijk verschijnsel te zijn. Miniatuurversies hebben nu eenmaal een vertederend effect, zoals bijvoorbeeld het geval is bij babies en andere jonge dieren (‘ahhh kijk hij heeft al zijn teentjes’). Ik heb dat niet zelf bedacht maar ooit gelezen in een niet nader benoembaar semi-psychologisch artikel. Inmiddels heeft Albert Heijn blijkbaar ook kennis genomen van deze theorie. Heel slim natuurlijk, om dat in te zetten voor sluikreclame.

In ieder geval. Mijn vriendin en ik keken tevreden naar het miniflesje Heinz tomatenketchup dat tussen ons op tafel stond. Ze had ook nog een heel klein pakje Page wc papier gekregen. ‘Misschien is het wat te groot voor een poppenhuis,’ hoorde ik mezelf zeggen, ‘eigenlijk is het meer iets voor de barbies.’ Waarop mijn vriendin met een serieus gezicht knikte. Daarna kwam er een moment dat we allebei even dachten aan onze barbies en poppenhuizen.

Complimenten voor de marketingafdeling.


dinsdag 10 april 2012

Therapie


Net als in het leven, zo filosofeerde ik tijdens het ramen lappen, bestaat er bij het schoonmaken een onderscheid tussen smoezelaars en poetsers. Terwijl de laatsten met een Brillo-sponsje de plinten reinigen en op hun knieën de vloer plegen te schrobben, maken de eersten zich er graag met een lauw lapje vanaf en schuiven de rest van de rommel onder het bed. (Ze weten vaak ook niet wat een Brillo-sponsje is.) Dan zijn er nog tussenfiguren die wel opruimen, maar niet schoonmaken - een verwarrende categorie voor zelfbenoemd psychologen.

Ook qua takenvoorkeur bestaan er allerlei variaties. Het is bijna onvoorstelbaar, maar er zijn mensen die erg houden van stofzuigen. In mijn eenvoudige schoonmaakclassificatie zijn dat de aanpakkers. Je weet wel, van die mensen met een immer opgewekt gemoed. Wassen (zowel kleren als servies) is meer voor de pragmatici onder ons. Ik heb zelf een zwak voor strijken, hetgeen duidt op een lichte manie voor orde en netheid. Keurig gevouwen stapeltjes maken van een warrige wasmand is immers de droom van iedere controlefreak.

Kort geleden, toen ik nog in een studentenhuis woonde, was ik niet alleen huisoudste maar ook de meest schoonmaakgerichte bewoner. Dat was deels omdat het huis heel oud en een beetje smoezelig was, maar ook omdat ik wel opknap van middagje tegels schrobben. ‘Ik maak gewoon graag schoon als ik me niet goed voel,’ prevelde ik eens beschaamd tegen mijn benedenbuurman, die muzikant was van beroep en mij recentelijk had toevertrouwd zijn handdoek eens per maand te wassen. ‘Weet ik toch,’ sprak hij troostend, ‘we hebben allemaal wel wat.’

zondag 25 maart 2012

Platonisch

Het congres schept mogelijkheden. Je bent een tijdje van huis, je zit met een grote groep nieuwe mensen opgescheept en hup, de echtelijke bedenkingen gaan overboord. Een klassieker, maar daarom niet minder waar. Deze week was ik op een congres in een slaperig plaatsje in Toscane. Het zou drie dagen duren, en we werden de eerste avond -zoals dat hoort- onthaald met een praatje en een borreltje. Ik ben dol op praatjes en borreltjes, dus besloot ik wat kennis te maken met de andere tweehonderd deelnemers.

Bij mijn derde plastic glas prosecco stuitte ik op Thomas. Thomas was een Brits historicus die zich had gespecialiseerd in Syrië onder Frans mandaat. Een vrij populair onderwerp, momenteel. Hij stond net aan een bebrilde collega uit te leggen dat hij over de huidige situatie onmogelijk prognoses kon geven. Thomas droeg een geruit jasje met elleboogstukken en verklaarde dat hij honger had na een onwaarschijnlijk lange treinreis. Ik vind het erg lief als mensen twintig uur in de trein zitten omwille van het milieu, en besloot dat ik hem heel sympathiek vond.

Om enige variatie aan te brengen in het voedsel dat tweemaal daags door het hotel werd verstrekt, hadden we afgesproken de gastronomische mogelijkheden van Montecatini eens te verkennen. ‘Hoe waren je workshops?’ informeerde ik oprecht benieuwd terwijl we een pizza aten. Thomas was te laat geweest voor zijn eerste ochtendsessie omdat hij vastzat in de lift; de hotels van de congresdeelnemers bevonden zich in verschillende stadia van ontbinding. Niet dat hij veel had gemist, want qua inhoud was het abominabel geweest.

We dronken nog maar een cocktail in de enige bar van de stad. 'Ach,' mijmerde Thomas, 'op een gegeven moment ben je eind dertig en je hebt een baan waar je zo'n beetje toevallig in terecht bent gekomen, en dat is het dan wel zo ongeveer.' Ik knikte zo begrijpend als ik kon, want zingevingsproblematiek is mij niet vreemd. ‘Thanks for a lovely evening,’ sms-te ik dan ook terwijl mijn trein de volgende dag Montacatini uitboemelde, ‘it was nice meeting you.’ ‘But,’ kreeg ik terug, ‘we didn’t even sleep together.’ Dat vond ik dan weer erg grappig.


vrijdag 17 februari 2012

Twexit

Inmiddels woon ik al weer zes weken bij mijn moeder, die voortdurend lieve dingen zegt als: ‘misschien kunnen we dat even op de computer opzoeken. Of nee, het staat ook vast wel in de krant.’ Dat doet denken aan de jaren ‘90, toen computeren gewoon nog een soort hobby was. Hierdoor heb ik nu ineens de indruk dat ik heel digitaal onderlegd ben, maar dat is natuurlijk volstrekt niet waar – al blijk ik goede assistentie te verlenen in de gebruiksfuncties van Word. Kortom: ik werd overmoedig.

Toen ik op het station van Hilversum laat in de ijskoude avond mijn busverbinding stond te vervloeken, viel mijn oog op de aankondiging “volg de gemeente Hilversum op Twitter: @Hilversum.” Misschien, zo dacht ik, moet ik eens iets gaan doen met Twitter. Als zelfs de gemeente Hilversum daar mee bezig is, dan loop ik behoorlijk achter. Goed voor de publiciteit van het blog wellicht. Ik was eigenlijk best benieuwd naar het zogenaamde ‘tweetdeck’ en ook hashtags leken me wel leuk in het gebruik liggen.

Het eerste obstakel was de gebruikersnaam, omdat gewoon @basjeb al weg was. Daardoor moest ik uiteindelijk opteren voor @basje_b_ wat natuurlijk wel kan maar niet zo mooi is. Nouja, dacht ik nog, daar kom ik wel overheen. Ook met het aangeven van pagina’s (of eh, dinges) die ik wilde volgen had ik wat problemen. De gemeente Hilversum natuurlijk. Wat kranten, enzo. Toen werd mij gevraagd welke vrienden ik allemaal zou willen volgen. En wat bleek? Niemand van jullie twittert.

Het was een eenzaam experiment.


donderdag 9 februari 2012

Shopping

Binnenkort ga ik naar Milaan voor onderzoek. Dat klinkt leuk, en dat is het ook. Verder vrij ontspannen, omdat ik mee kan zonder diep inhoudelijke verplichtingen en met name om mensen te ontmoeten. Waarschijnlijk heb ik de uitnodiging te danken aan het vorige werkgerelateerde evenement - waar ik per ongeluk aan de praat raakte met iemand die daar veel te belangrijk voor was. Maar dat is slechts een gissing.

Onze Italiaanse collega had ik al gecontacteerd om te vragen of ik bij de besloten seminars aanwezig mocht zijn. Dat bleek niet het geval. 'I suggest that you attend the lunch and the gala dinner,' mailde hij me opgewekt, 'and in between do some shopping.' De andere dag zou er dan wel een vol programma zijn. Het werd allemaal steeds beter: dinner in Milaan, een inhoudelijk programma en dan nog een middag rond de Duomo.

De dag daarna sprak ik mijn promotor, die erg schrok van dit verhaal. ‘Wat een schande,’ sputterde hij onthutst, ‘dat je dan alleen maar komt voor die tweede dag, en ze je gewoon uit winkelen sturen. Het spijt me ontzettend, wat vreselijk vervelend allemaal.’ Er viel een korte stilte. ‘Ja,’ zei ik tenslotte zo droevig mogelijk, ‘ik vind het zelf ook heel erg jammer.’ Mijn promotor knikte verontschuldigend. ‘Maar ik kom er denk ik wel overheen,’ voegde ik daar dapper aan toe.

Eigenlijk heb ik een heel leuke baan.

zondag 8 januari 2012

Scheiden

Wederzijdse inspanningen ten spijt, ging het samenwonen niet als verwacht. Zo kwam het dat ik op een regenachtige avond door mijn moeder werd opgehaald van het station. En crise, kunnen we rustig stellen. Achter haar stuiterde mijn stiefnichtje van zes uit de auto. 'BASJE BASJE BASJE,’ besprong ze me enthousiast, ‘blijf jij vanavond ook hier logeren?’ ‘Eh...ja,’ zei ik afwezig terwijl ik mijn spullen in de kofferbak gooide.

‘Zo,’ informeerde mijn moeder toen we wegreden, ‘en hoe gaat het nou?’ Eerst haalde ik maar eens diep adem. ‘Ik heb een beer,’ begon mijn nichtje opgewekt, ‘en die heet Kees. Heb jij ook een beer?’ ‘Hmhm,’ knikte ik. ‘Oh,’ zei mijn nichtje, ‘waar is jouw beer dan?’ ‘Die zit in mijn tas,’ antwoordde ik. Het was even stil. ‘Slaap jij vannacht bij mij op de kamer?’ informeerde ze toen hoopvol. ‘Nee, dat denk ik niet,’ piepte ik met een hoog stemmetje.

Ineens moest ik heel hard huilen en begon ik een lang en waarschijnlijk erg onsamenhangend verhaal over mijn Relatie. ‘Ik weet het niet,’ snotterde ik vaag, ‘ik weet gewoon helemaal niet meer wat ik moet doen....’ Mijn moeder knikte zo begrijpend mogelijk. Ondertussen reden we over de donkere hei met stevige regen. Het was geen vrolijk gezicht. We luisterden naar het zwiepen van de ruitenwissers, terwijl ik mijn neus snoot.

‘Gaan jullie nu scheiden?’ klonk het plots vanaf de achterbank. ‘Tsja,’ zei ik met een bibberige zucht, ‘ik ben bang van wel.’

zaterdag 26 november 2011

Klein drama

Een oudere heer met een baard klopte op de deur van mijn kamer. Het was vrijdagmiddag, en de meeste van mijn collegae waren naar een langdurige lezing. ‘Weet u iets van die kast?!’ riep hij me toe. Ik knipperde met mijn ogen. ‘Kast?’ ‘Ja!’ vervolgde hij ontdaan, ‘mijn kast, mijn kast, die hier op de gang stond, met mijn archief, is helemaal door de war gemaakt.’ ‘Ik loop even met u mee,’ zei ik, ‘dat praat wat makkelijker.’

Op de gang stond inderdaad een geopende kast omringd door bergen papier. ‘Dit hier,’ sprak de man duidelijk bewogen, ‘is mijn archief, en dat ligt nu zomaar op de grond, het is een schande, ik schrik ervan, ik wil weten wie er verantwoordelijk voor is, ik kan gewoon mijn ogen niet geloven.’ ‘Ja,’ beaamde ik, ‘dat ziet er inderdaad niet goed uit. Helaas heb ik geen idee wie er in uw archief heeft gerommeld. Mag ik misschien vragen wie u bent?’

De bebaarde meneer moest nu zelf ook een beetje lachen. Een jaar of wat geleden was zijn afdeling verhuisd, maar het archief –of wat er van over was- was blijven staan. ‘Ik dacht dat ik de enige sleutel had,’ kreunde hij, ‘maar er moeten er dus meer geweest zijn. Anders kan ik dit niet verklaren. Hier,’ grabbelde hij in een stapel, ‘kijk nou. Al mijn veldwerk. Zomaar op de gang.’ Ik knikte begrijpend. Veel stukken waren nog met een typemachine geschreven.

De professor zuchtte diep. ‘Nouja. Niets aan te doen,’ sprak hij berustend. ‘Dan ga ik maar weer. Fijn weekend.’ ‘Ja,’ zei ik. ‘Het was leuk u te ontmoeten.’

zaterdag 19 november 2011

Dilemma

Sinds kort woon ik samen met mijn Relatie en zijn hondje (‘Meid, heb jij even de volledige package deal’ schreef een verre vriend laatst opgewekt), maar wij hebben nóg een huisgenoot. Een muis. Nou ben ik niet bang voor muizen, sterker nog, ik sympathiseer buitengewoon met muizen. Muizen zijn lief en zacht en klein en ze zijn geschikt voor kinderboeken. Het idee van wonen in een mooi oud Amsterdams huis met een muis erbij stond mij aanvankelijk in het geheel niet tegen.

Dat wil zeggen: tot ik keutels vond op het fornuis, op het aanrecht en op het theeblad. ‘Straks wordt het een heel nest,’ zei mijn vriend bezorgd, ‘ik heb er ervaring mee, en dan zitten ze overal. OVERAL.’ ‘Je hebt gelijk,’ besloot ik, ‘de muis moet weg. Het is een lief beest, maar hij kan hier echt niet overwinteren’ - en dat klonk behoorlijk onchristelijk. Waarop we aan de slag gingen met allerlei muisbestendige trommels en blikken. Een tijdlang was onze kleiner kraker in geen velden of wegen te bekennen.

Gisteren, toen ik een heel dik boek zat te lezen over marktwerking, hoorde ik ineens een onvaste piep vanaf het fornuis. En ja, daar zat hij weer. ‘Nu is het afgelopen,’ bedacht ik strijdlustig, 'ik ga 'm vangen.' Met een theedoek sloop ik erop af. Wij keken elkaar een moment in de ogen, voordat de muis angstig wegsprintte onder de ijskast. Net lang genoeg om te zien dat hij zo ongeveer de helft vermagerd was. ‘Zeg Darling,’ begon ik, ‘even over die muis. Hij was zo dun... veel te dun eigenlijk... ’ Mijn vriend keek me verschrikt aan. ‘Straks sterft hij een vreselijke, langzame hongerdood.’ We waren er allebei even stil van.

‘Ik laat vanavond wel een koekje voor hem liggen,’ zei ik toen zuchtend.


donderdag 27 oktober 2011

Schoon schip


Het is gênant om te zeggen, maar jarenlang was ik donateur van een zogenaamd goed doel. Dat doel was Greenpeace. Aangezien ik ooit als gevoelige beginnende studente ben gezwicht voor zielige zeehondjespropaganda, werd er trouw ieder jaar een bescheiden bedrag van mijn rekening afgeboekt door deze groene strijders. Op zich was dat eigenlijk prima, ik had er in ieder geval geen of nauwelijks last van.

Waar ik wel last van had was de post die mij tweemaandelijks bereikte. Met kleurenfoto’s van smachtende beren en droef kijkende indianen geïllustreerd begonnen deze standaard met ‘geeft u met ons nog een extra zetje?’ Dan kwam er een verhaal in de trant van, wij waarderen uw bijdrage, maar wij hebben nog veel meer geld nodig om de klimaatverandering tegen te gaan. Teken de petitie en verhoog uw machtiging. En ja, daar werd ik inderdaad strijdbaar van.

Want ze moeten natuurlijk niet mij, maar juist andere (niet donerende) mensen een brief sturen! Ook heel naar was het feit dat dat mijn studentenbijdrage -volgens mijn berekeningen- waarschijnlijk precies genoeg was om de kosten van de periodieke smeekbrief te dekken, dus eigenlijk betaalde ik om mezelf een schuldgevoel te geven. Geen cent ervan ging naar de uitstervende walvissen.

Ik opende de post met het groene logo dan ook al jaren niet meer. Maar nu ik ga verhuizen, leek me dat een goed moment om de verhoudingen te herzien. Ik voorvoelde echter dat de klimaatkrijgers mij niet zomaar zou laten gaan. Vast en zeker zou ik mij kranig moeten verantwoorden voor mijn opzegging. Ik zat dus al dagen te repeteren op kalm en standvastig uitspreken het zinnetje ‘ik vind eigenlijk dat u daar niets mee te maken heeft.’ Pas toen het er zonder woede uitkwam, toetste ik het servicenummer.

(Volgens mij ben ik ook donateur van milieudefensie, maar daar krijg je godzijdank geen post van. Zij innen stilletjes via automatische incasso en gaan er dan met het geld vandoor om illegaal ergens fretten te bevrijden. En in het licht van het voorgaande kan ik dat eigenlijk erg waarderen.)

dinsdag 25 oktober 2011

Zeg sorry

Voor autorijden heb ik geen roeping, en dat is geen valse bescheidenheid maar gewoon waar. Alleen in periodes van uiterste onverschilligheid of interne sereniteit ben ik veilig achter het stuur. Het was dan ook de vraag welke van de twee mij ertoe bewoog in een opwelling van buitengewone daadkracht mijn prille geliefde gemotoriseerd ergens op te halen.

‘Weet je zeker dat je bij mij in de auto durft,’ piepte ik, want ik had op de heenweg al bijna een konijnenfamilie, een bejaarde oma en twee tieners aangereden. De autosleutels trilden nog na in mijn hand. ‘Ja darling,’ zei mijn vriend olijk terwijl hij zijn hondje op de achterbank installeerde, ‘natuurlijk. Ik zit regelmatig in de auto bij mensen die een gevaar zijn op de weg.’

Een hele geruststelling. ‘Zul je je er niet steeds mee gaan bemoeien,’ vroeg ik zo streng mogelijk voor we wegreden, ‘want anders word ik nog veel zenuwachtiger, en dan wordt het pas echt gevaarlijk.’ ‘Nee, nee,’ beloofde hij met een grote grijs, ‘dat zou ik nooit doen.’

Zowel darling als hond hielden zich verdacht koest. Tenminste, tot we onze bestemming op tien meter na hadden bereikt. Voor de oprit hield ik stil. ‘Dit lukt niet,’ friemelde ik nerveus aan het stuur, ‘ik laat hem gewoon voor de deur staan.’ ‘Dat kun je best,’ dacht hij echter -waarschijnlijk overmoedig geworden door de ongelukloze rit. ‘Dat lukt prima. Er is meer dan genoeg ruimte.’ ‘Zeker weten?’ vroeg ik nog. Zeker weten. ‘Waf,’ vond ook de hond. Ik zuchtte diep en draaide de auto de bocht in.

Er klonk een eng schurend geluid van metaal op boomstronk.

Dat was teveel voor mijn gekwelde zenuwen. ‘KIJK NOU,’ hoorde ik mezelf ontsteld uitroepen, ‘dit is allemaal JOUW schuld. En het is niet eens mijn auto. En als jij niet had gezegd dat het kon dan had ik het niet gedaan.’ ‘Ja nee,’ riep mijn vriend terug, ‘jij reed, en bovendien kon jij het veel beter zien.’ ‘Ik luister NOOIT meer naar jou!’ verklaarde ik boos, ‘nooit meer, nooit meer, nooit meer, je hebt al je geloofwaardigheid verspeeld.’

‘ZEG SORRY!’ dwong ik af toen het stil bleef, ‘zeg het NU.’ ‘Sorry,’ zei mijn vriend voorzichtig terwijl hij zijn hond geruststelde, die van schrik onder de achterbank was gekropen. Toen voegde hij daar allerminst uit het veld geslagen aan toe: ‘Je moet maar denken, het is niet voor niets dat ik geen rijbewijs heb.’

Zo.

maandag 19 september 2011

Cursus


Ik kan het niet helpen, ik ben gewoon nieuwsgierig. Zeker als ik verder niets beters te doen heb, zoals in de trein. Tegenover mij nam ditmaal een Aziatische meneer plaats. Uit zijn tas kwam een grote map van de LOI. Aha, dacht ik aha, aha, deze meneer bereidt zich voor op een examen. De Aziaat haalde een notitieblok tevoorschijn met aantekeningen. Daarop ontwaarde ik enige figuurschetsen die me sterk herinnerden aan mijn laatste assessment.

In Den Bosch stapte een jongen in met een appelboompje. ‘Wat een mooi boompje,’ zei de Aziatische meneer. ‘Ja,’ zei de jongen. ‘Wat is het voor boom?’ vroeg de meneer. ‘Het is een appelboompje,’ zei de jongen. ‘Wat voor soort appelboompje?’ drong de Aziaat aan. ‘Een elstar,’ zei de jongen met tegenzin. ‘Waar heeft u die boom gekocht?’ vroeg de meneer weer. De jongen zat niet te wachten op een gezellig gesprek. ‘Ze waren in de aanbieding bij de Aldi,’ zei hij kort. De meneer knikte vriendelijk en ging weer verder met zijn werk.

Hij viste nog een stuk papier uit zijn tas. Of eigenlijk was het meer karton. ‘Tjee,’ dacht ik, ‘wat kan dat zijn? Het lijkt wel een menukaart.’ Het was een menukaart. Een menukaart van een Chinees restaurant. De aantekeningen die ik had aangezien voor training van abstract intellectueel vermogen waren helemaal niet abstract: het waren gewoon borden met bestek. De man begon rustig met het overschrijven van de menukaart. Op zijn das zat een vlek. Samen met de jongen met het boompje keek ik geïntrigeerd toe naar de meneer met zijn restaurantcursus.

Bij de nagerechten arriveerden we in Utrecht.

zaterdag 17 september 2011

Bloemetjes


De laatste tijd hoor ik vrienden -zelfs heel leuke mensen- tot mijn schrik steeds vaker iets zeggen over sparen. Bijvoorbeeld ‘ik spaar honderd euro per maand voor een reis die [Pieter] en ik gaan maken naar Thailand’ of ‘[Sander] en ik willen graag samen een auto kopen.’

Nieuw is dat dat ook op mij kan slaan, aangezien ik in blijde afwachting ben van mijn eerste salaris. ‘Goh,’ zei een vriendin toen ze het bedrag hoorde, ‘dan kun je zelfs nog een beetje sparen.’ ‘Sparen?!’ riep ik geschrokken, ‘ik ga het UITGEVEN, wat denk je wel.’ Even bleef het stil. Toen zei ze sereen: ‘ik spaar, zodat ik het later echt goed kan besteden.’

Dit zette mij wel aan het denken. Sparen oké, maar waarvoor? Naar Peru wil ik helemaal niet, om nog maar te zwijgen over Australië. Een superlatieve computer heb ik al. Een auto is zinloos, een baby heb ik niet, en een poes (potentieel duur in onderhoud) kan niet.

Opvoeding speelt hier wellicht ook een rol. Mijn moeder, bijvoorbeeld, spaart niet. (Mijn stiefmoeder trouwens ook niet. ‘Waarom,’ hoorde ik mijn vader eens vertwijfeld zuchten, ‘tref ik toch steeds vrouwen die alleen maar geld uitgeven?’). Sterker nog, mijn moeder is de enige mens die ik ken die juist niet iets in de aanbieding wil kopen. Ze deed dat af als grote onzin en kocht liever bloemen dan een nieuwe wasmachine, wat ik in retrospectief eigenlijk heel lief vind.

Ik denk dat het dus gewoon niets gaat worden voorlopig, met mij en het sparen. Geef mij maar de bloemetjes.

dinsdag 23 augustus 2011

Ogen dicht


Als je klein bent en bang voor de tandarts is dat een beetje aanstellerig. Maar als je groot bent is juist heel bon ton om te verklaren dat je gruwt van rubberen handschoentjes en rilt bij het gezoem van de boor. Want laten we eerlijk zijn, mensen die onaangedaan blijven onder dat soort praktijken vinden wij toch niet echt verfijnd.

Een tijdlang was ik zo huiverig voor de tandarts dat ik gewoon niet ging. En, zoals met veel van die dingen, als je het niet doet wordt het nog veel enger. Toen ik vorig jaar begon te dromen van een verrot gebit besloot ik dat het tijd was om mijn verantwoordelijkheden onder ogen te zien. Met trillende handen belde ik de tandartsassistente.

‘Natuurlijk sta je nog in ons bestand,’ zei ze, ‘bij welke tandarts ben je in de tussenliggende periode geweest?’
‘Tsja,’ zei ik beschroomd, ‘bij geen tandarts.’
‘Geen tandarts? Maar dat kan toch bijna niet,’ zei de assistente, ‘de laatste keer dat je hier kwam was tien jaar geleden.’
‘Goh, zo lang nog,’ piepte ik, ‘misschien moeten we dan maar meteen een extra lange afspraak inplannen?’

Dat was niet nodig. In de wachtkamer hing een heel raar schilderij met tanden en kiezen (zie plaatje). Er lag linoleum en het rook er onprettig. Vanachter de deur aan het einde van de gang klonken stemmen en allerlei akelige geluiden. Toch wist ik mijn vluchtneigingen te onderdrukken, en gaf de tandarts een beverig handje. ‘Zo Basje,’ zei hij bij het afscheid nemen, ‘je hoeft niet elk halfjaar te komen, maar elk jaar is misschien toch wel een idee.’ Ik knikte gedwee. Eigenlijk ben ik heel gevoelig voor gezag.

Daar lag ik dan dus vanmorgen om tien voor half negen in de kunstleren stoel. Buiten was het mistig. ‘Zozo,’ zei de tandarts, ‘dus je gaat promoveren? Wat leuk, zeg.’ ‘Gnaw,’ bevestigde ik. Bij het antwoorden werd ik gehinderd door een bitter smakende plastic klem. Of tenminste, ik denk dat het een klem was want ik hield mijn ogen stijf dicht. Anders zou ik nog wel eens verschrikt op kunnen springen en me ernstig verwonden. Bovendien houd ik er niet van mijn tandarts van zo dichtbij in de ogen te kijken.

‘En wat ga je precies onderzoeken,’ vroeg de tandarts, ondertussen vlijtig in mijn mond rondborend, ‘je mag even spoelen.’ Hij wil dat niet echt weten, zei ik tegen mezelf, dit is allemaal bedoeld om jou op je gemak te stellen. Met moeite murmelde ik iets van ‘euhopeahse regawhgeving.’ ‘Aha,’ zei de tandarts, ‘Betty, zoek de bitjes van vorig jaar nog even op.’

De bitjes. De tandarts is een uiterst pijnlijke ingreep aan het beramen, dacht ik paniekerig terwijl hij de foto’s tegen een lichtplaat hield. Er zal geboord moeten worden tot op het kaakbot. Mijn bovenste kiezen zijn ontstoken. Ik heb acht verstandskiezen in plaats van vier. Ik probeerde heel hard te denken aan een bloempje, zoals ik op een blauwe maandag yoga heb geleerd. Ik zag de bloem, ik rook de bloem, ik voelde de bloem.... ‘Prima hoor,’ onderbrak mijn tandarts, ‘tot volgend jaar dan maar weer.’

Waarschijnlijk kom je er nooit helemaal overheen.


donderdag 4 augustus 2011

Veronderstelling


‘U beiden wilt zeker wel mooi een tafeltje in het maanlicht?’ vroeg een extra attente ober in Crotone ons zeven jaar geleden voor het eerst. ‘Nou,’ zei mijn vader verbaasd, ‘mijn dochter en ik zitten eigenlijk net zo lief binnen.’ ‘Ik heb hier anders een heel mooi plekje voor u en uw dochter,’ knipoogde de eigenaar begrijpend, en dirigeerde ons naar een romantisch tafeltje met kaarsen.

Sinds ik geen jeugdpuistjes meer heb, veronderstelt de bevolking ten zuiden van Napels kortom dat mijn vader en ik een stel zijn. Ervaring leert dat verklaringen (‘nee maar het is écht mijn vader hoor’) de zaak juist verergeren. Het is beter te berusten. ‘Uw man is al naar binnen?’ vraagt de jongen van de benzine mij bijvoorbeeld. ‘Ja hoor,’ zeg ik dan, richting mijn vader zwaaiend, ‘mijn man staat daar bij de kassa.’

We worden wel altijd met veel égards behandeld, en dat komt dan doordat hier een man op leeftijd met zo’n jonge vrouw en zo’n auto potentieel invloedrijk is. Misschien is het wel een lokale baas, hoor je de mensen denken, een beetje oppassen maar. Daar moet ik bij zeggen dat mijn vader meestal ook nog iets handigs laat vallen als ‘mijn vrouw komt pas volgende week.’ Dan, kan ik u verzekeren, durft het mannelijk bedienend personeel me al helemaal niet meer aan te kijken.

‘Ah maar het is uw dóchter,’ lachte de jongen van de pizzeria na een paar dagen opgelucht, ‘het is echt uw dochter.’ Jaja, knikken wij, dat zeiden we toch al de hele tijd.


donderdag 28 juli 2011

Opvoeding


Napels centraal station, 16.43 uur. ‘Nee, hier is het alleen voor de hogesnelheidslijn,’ zegt de man aan het loket tegen een voordringend heerschap. ‘Hoe bedoelt u, alleen hogesnelheidslijn,’ begint de man boos, ‘ik heb hier al die tijd staan wachten, en nu vertelt u mij dat ik geen kaartje kan kopen.’ ‘Ziet u die rode streep,’ verheft de loketbeambte nu ook zijn stem, ‘voor regionaal is de andere rij. Er staat daar een bord.’

‘Andere rij, andere rij?!’ roept de klant kwaad, ‘niks andere rij! Wat is dat voor onzin!’ ‘Ooeoeèèèwww,’ schudt de kaartverkoper zijn handen, ‘wat een personaggio.’ ‘U bent zelf een personaggio!’ schreeuwt de voordringer, ‘en ik wil mijn kaartje!’ Wij staan allemaal heel hard naar onze voeten of naar het plafond te staren, Napels is nu eenmaal een stad waarin iedereen altijd de andere kant op kijkt.

‘Scheer je weg!’ begint de kaartverkoper nu echt op te warmen, ‘wegwezen! U heeft geen enkele opvoeding!’ ‘Dit is een SCHANDE! Een regelrechte SCHANDE!’ protesteert de man. ‘UIT MIJN OGEN!’ dondert de beambte, ‘ik wil u hier niet meer zien!’ ‘Schandalig!’ tiert de afdruipende man nog, ‘belachelijk!’ ‘De OPVOEDING!’ roept de kaartverkoper hem achterna, ‘wat een gebrek aan opvoeding, dat kan niet eens lezen, er staat toch een bord!’

Om mij heen is de instemming voelbaar. Wij vinden het een goede, assertieve loketbeambte.


maandag 25 juli 2011

Dnjepr


Mijn aardrijkskundeleraar heette meneer Kalksma en het was geen spannende man. Zijn lokaal was het mooiste en grootste van de school met aan de muur reusachtige landkaarten, maar toch liet zijn aardrijkskunde mij volslagen koud. Opmerkelijk, aangezien ik dol ben op bladeren door atlassen en zoeken in atlassen en trivia lezen in atlassen waar ik verder nooit meer iets aan zal hebben. Als ik ooit nog iets ga verzamelen, dan zullen het atlassen zijn.

Ons aardrijkskundeboek leek alleen helemaal niet op een atlas. De leermethode waar meneer Kalksma organisch vergroeid mee was geraakt, heette de Geo Geordend – en pas tien jaar later begreep ik dat de klemtoon ligt op de ‘o’ van Geórdend. Eerlijk gezegd heb ik al die tijd gedacht (gehoopt) dat de Geo Géordend een spannende plaats was ergens in donker Amerika. Maar niet dus. Het ging om het aanbrengen van órde in de Geo, hetgeen geschiedde door veel te kleuren en te plakken. Ook dingen die ik op zich erg leuk vind.

Helaas was het net of alles wat meneer Kalksma deed en aanraakte bedekt raakte met een superdikke laag stof. Dat stof leek te culmineren in de groeven van zijn gezicht. Ik dacht weleens, lekker buiten over de waslijn en dan flink los met een mattenklopper zou hem veel goed doen. Maar toen schreef ik nog in de schoolkrant, en de schoolkrant moest eerst goedgekeurd worden door de rector, en de rector vond het niet goed als we dat soort dingen schreven. We mochten ook geen grapjes maken over de gebreide vesten van onze leraar Engels.

Gisteren bekeek ik een documentaire waarin iemand het had over de Dnjepr. En toen kreeg ik plotseling een sterke visuele flashback van meneer Kalksma, staande voor een verkleurde kaart met een plastic aanwijsstok. ‘De Dnjeprrrrr,’ zegt hij op uitgebluste toon, terwijl hij met de stok over het papier heen en weer frummelt bij het blauwe lijntje dat de rivier voorstelt. De kaart wiebelt een beetje door het rode puntje van de stok. ‘De Donau..... de Wolga...,’ hoorde ik meneer Kalksma doordreunen.

Bijna onmiddellijk verloor ik iedere interesse in het programma.

zondag 17 juli 2011

Continental breakfast


De sfeer in de ontbijtzaal van een hotel is doorgaans ingehouden. Bedrukt, zou ik bijna zeggen. Mensen mompelen wat moeizaam naar elkaar, de stoelen zitten niet echt lekker en het sap smaakt naar onbestemd muzakfruit. Niet zelden is de ruimte vreemd gepositioneerd, bijvoorbeeld in het souterrain of een soort van achterkamertje. Soms ook draait de eetzaal, nog katerig van de vorige avond, ochtenddiensten.

Op een centraal punt prijkt in elk geval een lange tafel met hardplastic orgelpijpen vol cornflakes en schalen hotelham. Dit is het zogenaamde ontbijtbuffet. Merkloze yoghurtpotjes dobberen in een bak ijswater -geflankeerd door kuipjes boter- en de boel wordt wat opgesierd met een kunstbloem of eenzame ananas. Zo nu en dan staat er iemand op om met een bordje in zijn handen naar het buffet te lopen.

De rest van de zaal kijkt dan zo onopvallend mogelijk toe en denkt ongeveer hetzelfde. Zou die dikke Duitser inderdaad worst gaan opscheppen? Het oudere Engelse echtpaar neemt natuurlijk scrambled eggs. En de Franse vader en moeder zouden hun twee Franse zoontjes, die met één bil op hun stoel hangen en van tafel willen, ook weleens wat beter in bedwang kunnen houden. Als je de volgende dag dezelfde medegasten tegenkomt, kan er zelfs zoiets als een verplicht ochtendknikje ontstaan.

Het hotelontbijt heeft, kortom, iets tragisch. Op zich ben ik daar nog wel van gecharmeerd, je kunt je immers beperken tot een kopje thee. Alleen vergeet ik elke keer opnieuw, dat die net te kleine oerlelijke hoteltheepotjes zonder uitzondering (en dat is al-tijd) lekken bij het schenken. Zodat er meer thee op je krant beland dan in je kopje. En dat is dus eigenlijk een beetje teveel, zo vroeg in de morgen.

maandag 11 juli 2011

Edi

Op het met riet overdekte terras aan zee zat, alleen, de kleine jongen die ook de vuile borden ophaalde. Hij had toegeknepen ogen en een vierkante kaak. Zijn bewegingen hadden iets dierlijks. Gebogen zat hij over zijn pasta, de armen op tafel en het hoofd naar voren. Of hij al maanden niet had gegeten schrokte hij de slierten naar binnen. Zijn ellebogen staken wit af bij zijn bruine armen. Achter hem groeide een grote cactus.

In de ochtend, toen er nog maar weinig gasten waren, had ik die jongen de tafels zien schoonvegen met een soort plantenspuit en een groen doekje. “Sorry,” mompelde hij schuw toen hij bij mij was aangekomen, “ik moet hier even schoonmaken.” Hij hield zijn ogen neergeslagen. Ik knikte en tilde welwillend mijn kopje koffie op. Beschaamd bewoog de jongen het groene doekje enkele malen over het hout. “Edi,” riep een schorre vrouwenstem uit de donkere strandtent. “Edi!”

“Ik kom,” meende ik de jongen te horen murmelen. Hij zette zijn plantenspuit onder de cactus en haastte zich naar binnen. Na enkele ogenblikken verscheen de vrouw op het terras. Ze liet een inspecterende blik over de tafels glijden en marcheerde toen kordaat het beeld uit. Ik keek uit over het strand. Het tafelblad plakte aan mijn notitieblok. Daar kwam Edi weer aansjokken. Met zijn ogen dichtgeknepen tegen de felle zon pakte hij het groene doekje om zijn taak af te maken.


Lido di Venezia, juli 2011