maandag 19 juli 2010

Het Zilver


Eén van mijn moeders onwrikbare principes is dat je altijd eet met zilveren bestek. Als kind leerde ik van haar, dat een metalen vork handig is om onkruid mee te wieden, kattenvoer in een bakje te doen of een schroef mee vast te draaien, maar volledig ongeschikt wordt geacht voor op tafel. Mijn moeder refereerde regelmatig aan ‘het Zilver’ waarmee ze dan dus geen familiejuwelen of een andere liquide voorraad edelmetaal bedoelde, maar het tafelzilver van mijn overgrootouders. Dit Zilver, vijftigdelig met bijbehorende servetringen, lag opgeborgen in een grote houten kast en werd door mijn moeder gepoetst, in ere gehouden en bewaakt alsof het een heuse schat betrof.

Mijn vader deed net zo hard mee met de gekte. Als we op het punt stonden om op vakantie te gaan, trapte hij halverwege de oprijlaan meestal dramatisch op de rem. ‘Het Zilver!’ riep hij dan verschrikt uit, en trok een sprintje naar de keuken om het gekoesterde familiebezit ergens achter een schuifdeurtje op zolder te verstoppen. Mijn moeder zat ondertussen waarderend toe te kijken. Leuk stel, mijn ouders. Toen ze gingen scheiden, wilde mijn vader zijn Zilver natuurlijk graag meenemen. Alleen bracht dit mijn moeder in een penibele situatie. Scheiden is één ding, maar dan ook nog moeten eten van roestvrij staal, dat is de catastrofe compleet. Gelukkig kwam er in haar eigen familie weer nieuw Zilver beschikbaar dat niemand wilde hebben.

Want het verdwijnt, de interesse voor tafelzilver. Mensen als mijn moeder zijn een uitstervend ras. Laatst was ik bij een oude tante in Delft, en die had nog mooi bestek op tafel, gepoetst en wel. Maar voor de rest zie je dat zelden. En tijdje geleden werden we weer eens met onze neus op de feiten gedrukt. Er was namelijk ingebroken, en ik was de eerste die thuiskwam. ‘Mam, ze hebben je laptop meegnomen,’ zei ik door de telefoon, ‘het hele huis ligt overhoop.’ ‘En het zilver…?’fluisterde ze angstig. ‘Dat is er nog,’ stelde ik haar gerust, ‘of eigenlijk,’ preciseerde ik, ‘ze hebben het wel gevonden, maar niet meegenomen.’ Er viel een lange stilte aan de andere kant. ‘Dan was het vast een junk,’ zei mijn moeder uiteindelijk. En daarmee was de zaak afgedaan.

woensdag 7 juli 2010

Huub en Dien

Het is ook eigenlijk wel weer grappig om thuis te zijn, vooral omdat er helemaal niets veranderd is. Mijn overbuurvrouw Dien hing al meteen uit het raam. ‘Joehoe,’ riep ze, ‘joehoe wat leuk dat je weer terug bent. Is dat nou je vader.’ Dien is latent alcoholistisch (volgens mijn benedenbuurvouw) en getrouwd met Huub. Ze wonen in het geboortehuis van Wim Sonneveld. Dat vertellen ze ook te pas en te onpas aan iedereen, dat ze in het geboortehuis van Wim Sonneveld wonen. Af en toe stopt er een rondleiding met bejaarden en een gids voor de deur, en die vertelt dat dan weer aan de bejaarden. Ik heb al een kleine zes jaar een perfect zicht op het doen en laten van Huub en Dien. Zo weet ik dat ze geen kinderen hebben, maar wel een papegaai. In een kooi. Als het mooi weer is, mag de vogel ook af en toe een middagje buiten staan. Dat is dan op een stok. Wegvliegen kan niet, want het is een gekortwiekte papegaai.

Op de straatbarbecue van vorig jaar, toen ze een beetje aangeschoten was, vertelde Dien dat ze een tijdlang in Zwitserland hebben gewoond. Dat was eigenlijk erg goed bevallen. Ze deed daar iets met astmatische kindertjes die een weekje gingen skiën in de frisse berglucht. Huub werkte in een fotowinkel drie bergdorpen verderop, en ze zagen elkaar alleen in het weekend. ‘De beste periode uit ons huwelijk’ verzuchtte ze spijtig. Dat kunnen wij van nummer 82 a bis ons wel voorstellen, want we horen Huub regelmatig stevig schreeuwen naar Dien en naar de Dingen. Dit kwam tot een piek in de zomer van vorig jaar, toen hij had besloten de woonkamer te verbouwen. Terwijl Dien en de papegaai boven zaten te bibberen, woedde beneden Huub tussen de plafondpanelen en nieuwe raamkozijnen en grote wolken stof. Ik schreef destijds een scriptie, dus ik had alle tijd om dat uitgebreid gade te staan.

We hadden er zelfs een weddenschap op ingezet. Die ik nu helaas verloren blijk te hebben, want ik had de duur van de verbouwing geschaald op oneindig, of toch in ieder geval op een jaar of drie. En dat terwijl het project al na een luttele elf maanden is voltooid. Toen we de witte wijn opentrokken op het dakterras, begon Huub echter op straat met een oorverdovende cirkelzaag aan een niet nader te benoemen object te klussen. Desgevraagd verklaarde hij: ‘Ik weet nog niet precies wat het wordt, ik zaag zomaar een beetje en dan zien we het wel.’ Wij drinken dus maar weer binnen, met de ramen dicht. En het is net als vroeger. Op één ding na. Op het dak van Huub en Dien woont namelijk een stelletje duiven. Ze zitten daar al jaren gezellig een beetje aan elkaars veertjes te plukken. En nu zag ik ineens iets waar ik me ernstige zorgen over maak: het is er nog maar eentje.

vrijdag 11 juni 2010

Gewaagd

Er zijn van die mensen, die heel sentimenteel doen over bont. Ze pinken dan een traantje weg voor de zilvervos, en zetten vervolgens hun vork in een bord lasagna. Zonder kalfsgehakt uiteraard, want dat is ook al zo zielig, zo’n lief kalfje doodmaken. Dit soort zigeunermeisjes-sentiment belemmert natuurlijk een reële discussie over dierenwelzijn. Als je ziet hoe zo’n koe in werkelijkheid leeft kan het wellicht maar beter zo gauw mogelijk afgelopen zijn, wat een heel nieuw ethisch licht werpt op de consumptie van kalfs- en lamsvlees. Sterker nog, om terug te komen op het bont: een bontjas gaat generaties lang mee, terwijl een vleesproduct uitermate vergankelijk van aard is. Hoewel ikzelf een koe veel leuker vind dan die griezelige nertsen en fretten, die toch altijd een beetje rat-achtige associaties oproepen, heb ik er desalniettemin begrip voor dat het aaibaarheidsgehalte van een wollig piepend (?) diertje hoger is dan dat van een varken.


Ook snap ik de redenering wel. ‘Want,’ zo zult u misschien zeggen, ‘dat bont dat is alleen maar voor de sier. Dat hebben we niet echt nodig.’ Enige reflectie leert echter dat datzelfde geldt voor vlees. Is het inderdaad het geval dat we ons in de oertijd hulden in berenvellen en rendieren afkloven, tegenwoordig is dat dankzij ondoordringbare jassen van acryl en zogenaamde ‘vleesvervangers’ nergens meer voor nodig. Tofu is niet langer uitsluitend verkrijgbaar in biologisch dynamische geitenwollensokkenwinkels maar gewoon bij de Albert Heijn (zelfs met bijgeleverde AH receptkaart: zie ook ‘AH-Erlebnis’). Dus dat is niet langer een legitiem excuus. Ik draag graag schoenen van leer, maar dat is strikt genomen natuurlijk alleen maar overbodige luxe (behalve als je gevoelig bent voor zweetvoeten) aangezien er hoogwaardige kunststof alternatieven bestaan. Een bontjas is wellicht een beetje decadent, maar het principe blijft hetzelfde.


En ook dierenliefde blijft aan mode onderhevig. In de jaren ’80 en ‘90 was er bijvoorbeeld nogal veel ophef over het doodknuppelen van zeehondjes. Er is zelfs een heel tranentrekkend Kinderen voor Kinderen liedje over geschreven (‘Tweedehands jas’). Maar nu hoor je daar vrijwel niemand meer over. De zeehond is blijkbaar, net als de ozonlaag, alweer passé. Tegenwoordig focust de linkse lobby zich namelijk op circusdieren, Japanse walvisjacht en stierenvechten. Onlangs zag ik min of meer toevallig een heuse corrida. En - ik besef dat ik me hier op glad ijs bevind, als pragmatisch vegetariër zijnde - esthetisch gezien vond ik het zeer de moeite waard. Het is wreed en bloederig en primitief, maar wel mooi. De stieren blaakten van gezondheid, en worden ook nog opgegeten achteraf. Is dat erger dan een door zijn poten gezakte vleeskip, die met een beetje pech ook nog half Europa door wordt gesleept? Het is maar een overweging, want het blijft natuurlijk appels met peren vergelijken.


En moeten we onze vleesetende en/of bontdragende medemens gaan mijden? Het altijd geëngageerde Kinderen voor Kinderen heeft dit ethische dilemma gelukkig ook weer helder weten te vatten: ‘Waarom doen poezen van die erge dingen / dat heeft zo’n vogeltje toch niet verdiend / Ik zou mijn Miep er bijna om gaan haten / Wat ook niet kan want Miepie is mijn vriend.’


Kinderen voor Kinderen, de hits:

Tweedehands jas

Miepie



donderdag 10 juni 2010

La vie devant soi

Geen baan, geen auto, geen vriend, geen huis, geen kat: het moge duidelijk zijn dat ik een beetje begin achter te lopen op leeftijdgenoten. En in Aix krijg ik alle kans om het hele studentengebeuren nog een keer dunnetjes over te doen, zelfs compleet met hoogslaper ditmaal. (Ooit geprobeerd een tweepersoonsbed op te maken terwijl je met één teen op een wiebelig laddertje balanceert? Geen wonder dat veel studenten maar eens in drie maanden hun bed verschonen.) De meeste van mijn nieuwe vriendjes en vriendinnetjes zijn om en nabij de twintig, wat mij af en toe een beetje bejaard uit de verf doet komen maar doorgaans eigenlijk wel verfrissend is. Vier van hen wonen ook samen. Het sympathieke daarvan is dat hun appartement uit één ruimte bestaat, zodat dit samenwonen redelijk letterlijk moet worden opgevat. Ze slapen een beetje waar het zo uitkomt. Het lijkt al met al vrij veel op een nest met jonge hondjes.


Toen ik laatst langskwam, leek het of er een soort van ontploffing had plaatsgevonden. Dat kwam, het huurcontract was kwijtgeraakt en dat waren ze met zijn allen gaan zoeken (zonder resultaat). Midden in een berg onderbroeken, sokken, boeken, truien en koffiemokken kon ik nog vaag de contouren van enkele meubelstukken herkennen. De zoektocht was inmiddels gestaakt, en Max lag in boxershort met Ray-Ban voor het open raam te filosoferen over de zin des levens. Anna en Nina waren ondertussen verwikkeld in een discussie over twee zakken kleren die Anna (mogelijk) per ongeluk bij het vuilnis had gezet, in de veronderstelling dat het vuilniszakken betrof. Alexandra was ongeïnspireerd bezig een wanordelijke berg schoenen te herarrangeren. Terwijl ik me een weg naar het aanrecht manoeuvreerde om thee te maken, informeerde ik eens of dat nou goed ging zo, met zijn vieren? ‘Oh well,’ haalde Alex ludiek haar schouders op, ‘we’ll manage.’


Rond negenen begonnen we verwachtingsvol richting Max te kijken, aangezien hij had beloofd te koken. Met een enorme grijns begaf hij zich naar de keuken, alwaar hij vervolgens geheimzinnig rondsprong bij het aanrecht om iets te bereiden dat hij aanduidde als ‘kip met rijst en banaan.’ Na enige experimenten met mango en perzik was hij met de banaan -naar eigen zeggen- op een hoger culinair plan beland. Ik kreeg ineens een flashback: mijn eerste studentenhuis. Op een mooie lenteochtend scharrelde ik zonder bril naar de keuken, alwaar ik een van mijn scheikundige huisgenoten aantrof, druk doende met de bereiding van een roerei met groente. ‘Goh dat lijkt wel sla, wat je daar aan het bakken bent’ tuurde ik bijziend in de koekepan, ‘wat is het?’ Bleek het ook echt sla te zijn. Maar ik geef toe: de rijst van Max was inderdaad erg lekker. Je zou er bijna student voor blijven!


Rijst met banaan volgens Max:

Fruit in een koekenpan een uitje. Bak daarin vervolgens wat stukjes kipfilet (of niet, het is enigszins minimalistisch maar ook lekker zonder). Voeg daaraan 2 of 3 bananen en een half potje crème fraîche toe. Tijdje laten sudderen tot het een soort saus is geworden. En opdienen met rijst natuurlijk.


woensdag 2 juni 2010

Authentiek


Iedereen is altijd lyrisch over Toscane. Want daar is het zo prachtig, en het eten zo lekker, en de mensen zo aardig, en het is er allemaal nog zo authentiek. Wat ze er dan even niet bij vertellen is dat je er in de zomer struikelt over de campers en Duitsers met sandalen. Oude mannetjes op het dorpsplein zijn net zoiets geworden als indianen in een reservaat, iets om even snel een foto van te maken en dan gauw verder naar de toren van Pisa. Gelukkig heeft Italië vele gezichten. In het zuiden is het toerisme nog heerlijk nationaal en kun je je hart ophalen aan echt authentieke kreupelen, blinden en ongeletterden. Ik herinner me nog goed, de eerste keer dat ik mijn (nu ex-)vriend meenam naar Calabria. Hij was sowieso niet zo’n wereldbestormend type, maar na deze ervaring besloot hij wellicht definitief nooit meer een voet buiten Amsterdam te zetten. We namen de trein vanuit Napels, dus dat begon al interessant. Mijn vriend was enigszins gespannen, met name na het zien van enkele tientallen kleine zelfstandige ondernemers met emmers vol koude drankjes en ‘paninipaninipaniniiiiii’ zoals je inderdaad verwacht in Guatemala en niet in een westers land. Dit was niet helemaal het Italie dat hij zich had voorgesteld.


Toen viel zijn blik op de bagage van onze bezonnebrilde medepassagier. ‘Wat zit daar in godsnaam in?’ vroeg hij vreesachtig, knikkend naar een illegaal uitziend pakketje. Veel Napolitanen die ‘afdalen’ dragen inderdaad een verdacht met plakband omwikkeld pakje piepschuim met zich mee. Onschuldiger kan het bijna niet: het bevat namelijk mozzarella. ‘Mozzarella?’ vroeg mijn vriend ongelovig. ‘Mozzarella’ bevestigde ik. ‘Maar waarom gaan ze daarmee lopen slepen?’ vroeg mijn vriend met ogen op schoteltjes, en toen moest ik hem uitleggen dat de mensen in Campania er heilig van overtuigd zijn dat de mozzarella uit Campania de beste mozzarella van de wereld is, veel beter dan die uit het noorden en uit het zuiden van het land, dat het product zo gevoelig heet te zijn dat je het ook eigenlijk ter plekke moet opeten en dat vervoer van een half uurtje al catastrofale gevolgen zou hebben voor de smaak. Wat ik besloot even voor mijzelf te houden is dat er in diezelfde mozzarella waanzinnige hoeveelheden dioxine zijn gevonden, en dat – hoewel ik niet precies weet hoe het met de koeien staat - de geiten rond Napels regelmatig dood schijnen neervallen door afvaldumpingen van de Camorra. Ik wilde hem niet meteen de stuipen op het lijf jagen, zo’n eerste keer.


Toen wij het station van Lamezia Terme binnenboemelden was de avond inmiddels gevallen. Mijn oom Ippolito zou ons daar komen oppikken. Een belevenis op zich, want hij ziet eruit alsof hij is gecast om de rol van Siciliaan te spelen in the Godfather. Terwijl hij ons in zijn gedeukte Punto door de Sila loodste, zagen we overal bosbranden. Het was de zomer van de grote incendi, en het moet net zijn geweest alsof we rechtstreeks het inferno in reden. Deze impressie werd nog versterkt door de onafgebouwde betonnen barakken, zwerfhonden en zandwegen rond Isola Capo Rizzuto. En we waren er nog niet, want voordat we naar ons eigen onderkomen konden gaan moesten we uiteraard eerst de voltallige familie begroeten. Je kunt niet zomaar de volgende dag even langslopen met een gezicht alsof er niets aan de hand is, dat moet allemaal meteen. Mijn vriend trok bleek weg bij het idee, het was duidelijk meer dan hij kon verdragen op een dag. Maar gelukkig was de ontvangst authentiek hartelijk, dus echt zoals je leest in al die suffe boekjes over het Goede Italiaanse Leven, en zelfs beter dan dat. Na een paar borden pasta en parmigiana zag mijn vriendje er al een stuk blijer uit, en toen we hem na twee weken weer op de trein richting Napels zetten was hij zes tinten bruiner, vijf kilo zwaarder en vele ervaringen rijker. Dus kom naar Calabria! Voor het te laat is.





zondag 9 mei 2010

Delen

Ik ben een nieuwsgierig mens. Toen Hyves werd uitgevonden, voelde ik me dan ook de koning(in) ter rijk. Eindelijk kon je iedereen eindeloos onbeschaamd begluren, inclusief foto’s en privéberichten. Het was altijd al een beetje onhip natuurlijk, met van die dansende bananen enzo. Maar na de universitaire uitstroom richting Facebook zijn geloof ik alleen nog tieners, alleenstaande vrouwen met een uitkering en bierbuikige automonteurs genaamd Jordy overgebleven. Inmiddels heeft het veel weg van een soort lokale buurtkroeg waar je eigenlijk liever niet gezien wilt worden. Onlangs viel mijn oog bijvoorbeeld op de Hyve van Grieks Restaurant Rhodos in Zaltbommel, waar commentaren worden achtergelaten als 'eten was baas, serveerster ook.' Toen wist ik dat het zachtjesaan tijd werd om mijn account te desactiveren.


Een goede vriend snapt niet waar ik me druk over maak. ‘Laat de mensen toch hun gang gaan’ zegt hij altijd, ‘als ze dat nou leuk vinden.’ Maar dat is juist het hele punt van sociale netwerken: die mensen zetten allemaal dingen op hun Hyve zodat je het kunt zien. Zij hebben dan bijvoorbeeld nieuwe bloempotten gekocht voor in de tuin en willen dat met mij delen, zoals dat heet. Met delen in de klassieke zin van het woord heeft niet natuurlijk niet veel te maken. Het is meer zeggen ‘hee kijk eens even allemaal wat een leuk leven ik heb.’ Helaas valt dat in praktijk dus tegen. Als ik bijvoorbeeld lees: ‘Hardlopen net ging echt vet goed. Netjes met een opbouwschema. Jippie’ maakt een enorme doorzon-moeheid zich van mij meester. Wat niet wegneemt dat het fascinerend is om de samenleving te zien communiceren middels zinsneden als ‘lama wete’ ‘tot laters dan maar’ ‘toedels’ ‘ik zit op het werk’ ‘geniet er maar lekker van’ en ‘wijntje doen.’ Ik krijg het waarachtig nauwelijks op papier.


Mensen die zichzelf echt interessant vinden, hebben natuurlijk geen Hyves of Facebook, die Twitteren. Briljant idee toch, om de meest oninteressante functie van netwerkpagina’s te isoleren op een aparte site. Ik ben dol op alles wat openbaar is, maar bij Twitter trek ik de grens. Vaak kun je van een Twitter-pagina ook eigenlijk geen droog brood maken, want het is alleen maar op een interactieve manier leuk voor andere Twitteraars die je zogezegd volgen of voor heel goede vrienden. Mijn ex Twittert tegenwoordig ook, en waarachtig, het is net alsof hij is opgestaan uit de dood en naast me op de bank zit. Zo weet ik nu ineens dat hij 1) een nieuwe vriendin maar desalniettemin 2) nog geen kind heeft en 3) nog wel steeds obsessief bezig is met krasloten en Jan Rot. Vreemd toch eigenlijk dat mensen dit soort dingen zomaar met vriend en vijand (waar ik in dit geval toe behoor) willen delen.


Maar goed. Iedereen heeft het volste recht op de illusie van persoonlijke roem. Ik heb er allemaal geen bewaar tegen, als ik er af en toe maar even iets over mag schrijven. En dat deel ik dan weer graag met jullie. Ha!



woensdag 5 mei 2010

Poes

Misschien ligt het aan het weer (regen, regen, regen) of ben ik gewoon echt al te lang alleen, maar de laatste tijd voel ik de sterke behoefte aan de geruststellende aanwezigheid van een kat in huis. Of eigenlijk, niet zomaar een kat: ik mis mijn kat. Helaas is dit uitzonderlijk schrandere dier een zomer geleden hemelwaarts gegaan (of tenminste, dat hoop ik dan). Mijn moeder was daardoor nog verrast aangedaan. Ondanks het feit dat ze de poes de toegang tot de bovenverdieping en de woonkamer van het huis had ontzegd, en constant mopperde ‘die kat is net je vader, ik kan er helemaal geen afspraken mee maken,’ was ze bijkans in tranen. Het mag overigens geen verrassing heten dat mijn vader en de poes een spuughekel aan elkaar hadden (hij is meer een hondentype, die zijn namelijk loyaal en gehoorzaam. Het kwijlen, blaffen en uitlaten neemt hij daarbij voor lief).

Die poes had ik niet zomaar uit het asiel gevist, hoewel dat uiteraard heel nobel geweest zou zijn. Het was een cadeautje voor mijn achtste verjaardag, afkomstig van mijn grote liefde toentertijd: de Zoon van de Dierenarts. Deze dierenarts woonde in een immense witte villa aan het eind van de straat en was een heel glossy figuur, die gebronsd en wel in zijn BMW de Zeister straten onveilig maakte. Destijds was hij zelfs zoiets als een nationale bekendheid door een wekelijks TV consult bij de 5 Uur Show (jaja, soms is de werkelijkheid beter dan fictie). Enfin. Zijn zoon had waarschijnlijk het dandyisme van zijn vader geerfd, want ik was weg van hem. En niet alleen gaf hij me knikkers op het schoolplein (o hemel) op mijn verjaardag kwam hij dus aanzetten met dat katje.

Aanvankelijk wilde ik de poes Corine dopen, want zo heette mijn paardrij-juf (‘pikeuze’ hield mijn moeder deftig vol) die overigens niet lang meer mijn paardrij-juf zou zijn doordat ze ongewenst zwanger werd van haar vriend, een potige bouwvakker uit Soest. Extreem gealarmeerd door het idee van een Corine (Cor?) in huis, heeft mijn moeder mij vervolgens uiterst kundig van dit idee afgepraat. Ik blonk niet echt uit in het bedenken van namen, dat moet worden gezegd. Mijn konijn bijvoorbeeld heeft zijn hele leven moeten rondhupsen met de vernederende naam Bessie. Het mag dus een klein wonder heten dat mijn kat toch nog een leuke naam heeft gekregen (Chrisje), hoewel ik me niet kan herinneren dat die veel werd gebruikt in de dagelijkse omgang.

Wij zeiden altijd gewoon Poes.

dinsdag 4 mei 2010

Kleedje

Ik ken inmiddels heel wat meisjes en vrouwen die een Italiaanse vriend hebben of hebben gehad, en heb een aantal interessante overeenkomsten opgemerkt in hetgeen zij over hun schoonmoeders te berde brengen. Het gaat daarbij dan met name om moeders uit het zuiden des lands. Hoewel allemaal even hartelijk, royaal en gastvrij (hetgeen in Nederland altijd maar weer de vraag is) word je uiteindelijk toch wel uitgebreid door de hele familie op constante basis geëvalueerd. En anders dan in Nederland zullen je kwaliteiten in het huishouden en in de keuken daarbij een grote rol spelen. Ik weet dit zelfs uit de eerste hand, want mijn Calabrese neef heeft een hele reeks vriendinnen gehad die meestal door de familie werden afgeserveerd omdat ze dergelijke vaardigheden niet onder de knie hadden. Een Italiaanse vriend lijkt me dan ook doodeng, ik ben namelijk er absoluut zeker van dat ik bij het onderdeel koken meteen door de mand val.


Toch kan het even duren voordat dat wordt ontdekt, want je kunt er tijdens een bezoek wel vanuit gaan dat je schoonmoeder de regie in de keuken volledig overneemt. Mocht je je Italiaan naar het buitenland hebben geëxporteerd, of wellicht naar een andere regio van het land, dan kun je er bovendien zeker van zijn dat de schoonfamilie met tassen vol streekproducten aan komt zetten, een beetje alsof er bij jullie in de buurt geen voedsel verkrijgbaar is. Want de [tomaten-citroenen-mozzarella] uit [Catania-Cosenza-Caserta] zijn uiteraard onvergelijkbaar beter dan wat jullie normaal gesproken eten. Een vriendin van mij had na een weekend met de ouders van Giuseppe een huis uitpuilend van mele cotogne, ingedroogde appels van een bijkans uitgestorven soort die na een aantal uur discussiëren met mijn oma in het Nederlands kweepeer blijkt te heten. ‘Alsjeblieft, eet ze op en neem er ook wat van mee naar huis’ verzuchtte ze tijdens de lunch, ‘ik kan die dingen niet meer zien.’


Het huishouden is natuurlijk ook heel belangrijk, hoewel toch minder dan het kookgebeuren. Aangezien Italiaanse vrouwen eng schoon zijn (waar op zich niets mis mee is) wil dat nog wel eens wringen met een meisje uit een minder proper buitenland. Een ander vriendinnetje klaagde bijvoorbeeld: ‘Als Ciro’s moeder bij ons heeft gelogeerd, kan ik niets meer terugvinden. Ze ruimt mijn kasten anders in, kijkt in al mijn spullen, en vraagt dan naderland dwingend: ‘Is dat niet veel beter zo, je onderbroeken en je BH’s apart?’ Hierbij vind ik een terugkerend fenomeen bijzonder grappig, en dat is de toevoeging van een kleedje voor het aanrecht. Het is meestal een soort voddenmatje of een ander gekleurd katoenen geval, en desgevraagd zal je worden geantwoord dat dat hygiënisch is, hetgeen ik ten zeerste betwijfel. Italië is voor zover ik weet het enige land waar de vrouwen gebruik maken van een kleed in de keuken, en het klinkt mij telkens weer wonderlijk in de oren. Maar ’s lands wijs, ’s lands eer, zullen we maar zeggen.


Ik wil toch graag besluiten met een opbeurende noot. Dames, er is geen reden tot wanhoop. Alles kan worden gered door Fabrizio, Marco of Enrico op een maniakale manier lief te hebben. Al je huishoudelijke tekortkomingen zullen je spontaan worden vergeven. En dat is dan toch eigenlijk wel weer heel sympathiek.

zaterdag 1 mei 2010

Geconditioneerd


Natuurlijk is het bekend, dat alle stijlvolle designers ten spijt Italianen ook wel eens massaal een modieuze scheve schaats rijden. Dat is bijvoorbeeld het geval met die afzichtelijke Invicta rugtassen, en een heel curieus model sportschoenen dat ik niet goed kan beschrijven. Maar er is een ding dat voor mij absoluut onweerstaanbaar is, namelijk het dansverschijnsel genaamd balli di gruppo. Ofwel groepsdansen: een fenomeen met dertig variaties op de macarena. Hoewel dit ongetwijfeld ook bestaat bij ClubMed, is het in zuidelijke delen van Italië grappig genoeg niet alleen voor te dikke mensen met puistjes, maar sociaal geaccepteerd en ongekend populair. De kunst is dan wel weer om het allemaal zo nonchalant mogelijk te doen. Maar toch.

De muzikale omlijsting van het geheel is over het algemeen vrij eenvoudig en meestal spaanstalig. Ik stuitte laatst op iets met de scherpzinnige tekst ‘chu chu uá / chu chu uá /chu chu uá - uá - uá.’ Ook zijn er een paar klassiekers met ongelofelijke kokosnootnamen zoals ‘pam pam’ ‘cocorito’ en ‘el tipitipitero.’ Sommige hits hebben een wat groter houdbaarheidsgehalte en worden in de canon opgenomen, anderen verzinken na een zomer alweer in de vergetelheid. Er bestaan, zo vond ik op Youtube, heuse instructievideo’s voor dit soort dansjes genaamd ‘Ballomania’ met een grijnzende zwarte man en een Braziliaans meisje die op een roze podium staan te swingen. Ook blijken de balli latinamericani ongekend populair te zijn op bruiloften, waar de bruid en bruidegom enthousiast staan mee te hossen. Rationele overwegingen ten spijt, ben ik jammer genoeg volkomen geconditioneerd, en zodra ik iets dergelijks hoor begin ik spontaan dwangmatige dansbewegingen te maken.

Te lang in Calabria op vakantie geweest, waarschijnlijk. Op de enige videobeelden die van mij bestaan, ben ik in feite te zien terwijl ik met totale overgave meedoe met dit groepsverschijnsel. Is dat nog lief als je elf bent, op je 26e is het natuurlijk een ander verhaal. Maar wat schetste mijn grote verbazing toen ik uitging in Rome: ook in San Lorenzo slaan de studenten massaal aan het groepsdansen, en dan dus niet alleen in de zomer maar het hele jaar door! Enthousiast voegde ik me tussen de meute vrolijke italianen om mee te doen, waarop het Nederlandse gezelschap mij (zeer) bevreemd nastaarde en me de rest van de avond probeerde te ontwijken. Sindsdien probeer ik me dus een beetje in te houden, om anderen niet openbaar te schande te maken. Maar eens per jaar wordt de Drang te groot. Dan sluit ik thuis alle luiken en gordijnen en spring ik een uur lang als een volslagen idioot in het rond. En af en toe roep ik heel hard en onbeschaamd 'Tipitipitero! Ayo!'

Klik hier om het fenomeen te bekijken!

zondag 11 april 2010

Carlo Grassi

Ineens moest ik laatst denken aan Carlo Grassi. Carlo was eigenlijk al een begrip voor ik hem überhaupt leerde kennen. De bibliothecaresse Janet van het Instituut in Rome had hem destijds aan ons geïntroduceerd (of eigenlijk meer andersom) als gelegenheid om snel geld te verdienen in korte tijd. Carlo had een soort bedrijfje en een projectje en daarvoor scheen hij om onduidelijke redenen Nederlandssprekenden nodig te hebben. Iets verdienen, dat wilden wij allemaal wel en dus gingen de eerste studenten naar Carlo. De verhalen die op het Instituut over hem de ronde deden werden steeds wilder. Hij was niet alleen manager voor een onduidelijk project waarin wij een onduidelijke rol speelden, maar bleek tevens eigenaar van een bouwvallig huisje in een plaatsje genaamd Calcata (dus niet te verwarren met Calcutta) dat hij belangeloos als verblijf ter beschikking stelde aan kunstenaars en onderzoekers (zoals wij). Dit patronaat verschafte hem met name bijzondere genoegens waar het archeologen betrof, aangezien in Calcata ooit de resten van een prehistorische nederzetting waren gevonden. Vooral Pieter, onze archeologiestudent, had daardoor nog veel moeite moeten doen om de uitnodiging af te slaan.


De logistieke aankleding van het project in kwestie kwam in ieder geval al niet erg betrouwbaar over. Ik werd verzocht mij naar de laatste metrohalte van lijn A te begeven, in de buitenste buitenwijken van Rome, alwaar Carlo of een van zijn assistenten mij met de auto zou komen ophalen. Innerlijke twijfel, ouderlijke raadgevingen en visioenen over vrouwenhandel en raamprostitutie ten spijt, besloot ik het er op te wagen. Wat men al niet doet voor honderd euro. Maar goed, inderdaad stond een roestige beige Mercedes mij op te wachten in Anagnina. Eenmaal gezeten naast Carlo, een morsige man van middelbare leeftijd met overgewicht en een flodderdasje, kwam het gesprek al snel op Calcata. Want Calcata, zo begreep ik, was in het verleden een stad van aanzien geweest. Dat was met name te danken aan een belangrijk reliek dat zich in de dom van het stadje bevond. Het betrof hier niet zomaar een reliek (ik moest een beroep doen op mijn Italiaans idioom voor gevorderden) eerst dacht ik ook dat ik het misschien verkeerd had verstaan. Het ging namelijk om niets minder dan de voorhuid van Jezus Christus. (Hierbij moest ik even goed nadenken. Was Jezus eigenlijk wel besneden? Blijkbaar wel). Hoe het ook zei, al eeuwenlang kwamen mensen van heinde en verre naar Calcata om de heilzame krachten van dit stukje voorhuid te ondervinden.


Op dit punt van het verhaal waren wij gelukkig aangekomen bij het kantoor van Carlo, zodat ik verder geen gedetailleerde vragen hoefde te stellen over de wonderen die dankzij deze reliek hadden plaatsgevonden. In een aluminium gebouw, zoals je die vindt in de suburbia van Rome, werd ik door duizend nauwe gangetjes geloodst, waarna wij uitkwamen in een kantoortje dat rechtstreeks uit de jaren ’70 scheen te komen. Carlo rommelde in wat papieren, en daarna gingen we naar een ander kantoortje, waar een tentje stond opgesteld. In dat tentje moest ik twee uur lang zinsdelen inspreken op een cassettebandje, naar verluidt voor een soort navigatiesysteem. Vervolgens moest dit alles herhaald worden in een rijdende auto, in verband met eventueel achtergrondgeluid. De bestuurder was een kale Siciliaan, en achter mij nam een morsig mannetje plaats met een houten kist vol opnameapparatuur. Hij vertelde mij dat het een prototype van het materiaal betrof, dat nog niet goed werkte. Daarom zou hij mij steeds op de schouder tikken als ik met een nieuwe letterreeks moest beginnen. Al schouderkloppend reden wij eindeloos rondjes langs de zigeunerkampen van Rome. Twee uur kan erg lang duren, heb ik toen ondervonden. Toch werd ik levend en wel weer afgezet bij Anagnina. Met, en dat was het allerbelangrijkste, een warme uitnodiging om vooral te komen logeren in Calcata.


woensdag 7 april 2010

AH-Erlebnis


Was het koken al nooit echt Neerlands sterke punt, de laatste jaren maakt de keuken een wel erg moeilijke periode door. Dat is mijns inziens met name te danken aan de uiterst succesvolle wisselwerking tussen het Nederlandse Volk en Albert Heijn. Niemand had kunnen vermoeden dat een gezellige Zaanse kruidenier ooit zou uitgroeien tot een monster genaamd Ahold dat de massa’s voedt met inferieure producten. Je reinste science fiction, wat mij betreft. Het kan toch niet echt zo zijn dat wij het ‘vers’ afgebakken brood, dat zorgt voor een walgelijk weeïge baklucht op menig station, echt lekker vinden, ja zelfs prefereren boven de bakker? Niemand schijnt zich vooralsnog ernstige zorgen te maken over het feit dat ‘in de bonus’ inmiddels synoniem is geworden voor ‘in de aanbieding.’

Toch zou een stukje reflectie hierover misschien geen kwaad kunnen. Een sleutelrol in het geheel is weggelegd voor het verschijnsel AllerHande. Als Albert Heijn weer een interessant onbekend nieuw product heeft ontdekt dat zij geschikt acht voor massaconsumptie (men denke aan: de tilapia) wordt het dankzij deze verkapte reclamefolder gegarandeerd gemeengoed. De AllerHande leidt de altijd-veel-te-drukke consument van de 21e eeuw met strakke hand door de wondere wereld van het koken, en vermeldt tot in detail hoeveel spruitjes je per persoon nodig hebt, hoeveel minuten het bereiden gaat duren, en natuurlijk het allerbelangrijkste: wat je moet kopen en van welk merk. Significante uitbreidingen vergeleken met een kookboek uit de jaren ’50, waar een recept meestal een paar regels beslaat omdat basisvaardigheden als het koken van aardappels bekend worden verondersteld.

Ik persoonlijk vond de overgang van mesje naar dunschiller al een teken van moreel verval (ach, de edele kunst van het aardappelschillen) maar ik vrees dat er momenteel een hele generatie opgroeit die aardappels alleen maar kent als voorgesneden schijfjes. In een plastic bakje van de AH stoommaaltijden of, van meer recente datum, uit een formule genaamd ‘Kies&Kook’ die, zoals de naam al aangeeft, de consument een schijn van keuzevrijheid poogt te bieden binnen het kant-en-klaar segment. Steeds meer mensen blijken volslagen hulpeloos met ‘losse’ ingrediënten, zoals bijvoorbeeld een krop sla. Niet per se slecht natuurlijk, maar toch een opmerkelijke bijkomstigheid van een geëmancipeerde, voorgeraakte en optimaal allocatieve samenleving als de onze. Het is duidelijk dat over 50 jaar niemand meer de basisbeginselen van het koken verstaat. Dat is slim bedacht van Albert: creëer afhankelijkheid en wordt almachtig. Een totalitair recept!

vrijdag 19 maart 2010

Let's fly

Ik heb zoveel lowcost gereisd dat ik alweer een beetje was vergeten dat je natuurlijk ook gewoon normaal kunt vliegen. En dus ben ik blij te maken met een dode mus: een eigen stoel om te beginnen. Of nee, zo erg is het nog niet. Maar afgelopen week was ik op reis met een klein Zwitsers maatschappijtje en dat heeft mij de ogen geopend. De vreugde begon eigenlijk al bij het inchecken, want ik hoefde niet te wachten. Er stond geen rij van een half uur met geretardeerde vakantiegangers richting Gran Canaria, jengelende kinderen en kaalgeschoren voetbalhooligans. Niets. Dat was al mooi, natuurlijk. Maar toen ik het vliegtuig betrad, raakte in pas echt in opperste staat van vervoering (letterlijk in dit geval). Een propellertoestel met dertig plaatsen, waarvan tien bezet. En dan ook nog naar Genève. Je zou er bijna van gaan genieten.


Het voordeel van ouder dan achttien zijn is dat je lekker kunt beginnen met zeuren over dat vroeger alles beter was. Nou zeur ik sowieso graag, en echt niet alles is erop achteruit gegaan, maar vliegen heeft wel een heel grote armoedeval gemaakt de afgelopen tijd. Toen ik mijn carrière als vliegpassagier begon, had het gebeuren nog wel een zekere romantiek. Van de KLM kreeg ik een grote blauwe envelop om mijn nek, met daarop in grote letters ‘UM’ (wat voor zoveel staat als Unaccompanied Minor). Stewardessen hadden het liefdevol over een ‘ummetje.’ De UM-envelop zat vol met knusse gekleurde doorslagvelletjes waarop je ouders moesten tekenen voor respectievelijk afgifte en ontvangst. Dit was uiteraard in de tijd dat een ticket nog een ticket was en geen sneu uitgeprint velletje met vijf letters en een streepjescode. Het zou mijn geenszins verbazen als de Ummetjes van nu gewoon per dozijn langs de scanner worden gehaald.


Maar goed. Tegen de tijd dat ik was gepromoveerd tot YP-je (Young Passenger) en geen envelop meer om hoefde, had ik twintig cockpits van binnen gezien (we spreken pre-9/11), zwom ik in die knurftige KLM potloodjes die te klein zijn om behoorlijk vast te houden, en had het veiligheidsrepertoire (‘…plaats het masker op mond en neus, trek de hoofdband aan, en adem normaal. Passagiers reizend met kinderen…’) geen geheimen meer voor mij. Het was natuurlijk niet alles pais en vree. Zo was er de catastrofale dag dat ik bijna mijn knuffelolifant verloor, omdat iemand er met mijn koffer vandoor was gegaan (sindsdien, kan ik u verzekeren, reist olifant standaard handbagage). Maar toch. Iets is er wel verloren gegaan. Zo dacht ik, met uitzicht op de Alpen en een glaasje witte wijn: nooit meer Easyjet!

Omstandigheden

Ik heb een ontzettende rothekel aan omstandigheden. Het is een woord dat an sich de neutraliteit zelve is, maar in het dagelijks gebruik een vreemd negatieve betekenis heeft verworven. Denk maar eens na. Omstandigheden worden altijd gebruikt in een context als ‘door omstandigheden moet u vannacht op het station blijven slapen. Onze excuses voor het ongemak’ of ‘wegens omstandigheden zien wij ons genoodzaakt het saldo op uw lopende rekening voor onbepaalde tijd te bevriezen.’ Met een zin als als ‘wegens omstandigheden bieden wij u een reis van drie weken naar het Caribisch gebied aan’ is grammaticaal gezien niets mis, maar gevoelsmatig slaat het nergens op.

Omstandigheden worden ook vaak misbruikt door mensen die niet bereid zijn hun gedrag nader te verklaren. Dat is echt heel irritant. In dat geval hebben omstandigheden de betekenis van: ‘Okee, ik doe het niet, en ik heb helemaal geen zin om jou te vertellen waarom niet.’ Interessant genoeg mag je dan volgens de gangbare omgangsvormen toch niet doorvragen, omdat ‘een omstandigheid’ impliceert dat het mogelijk om iets heel naars gaat, iets dat eigenlijk te erg is om over te praten. Het is dan ook een griezelig gevoel om te vragen: ‘O ja? Wat voor omstandigheden zijn dat dan precies?’ Ergens blijft die vage angst dat je gesprekspartner in huilen zal uitbarsten omdat haar allerliefste oom Kees gisternamiddag na een lang ziekbed is overleden aan een heel nare vorm van huidkanker – en wat een ongevoelig mens ben jij toch weer.

Als je er depressief genoeg bij kijkt zullen dus alleen heel nieuwsgierige figuren die lak hebben aan iedere sociale conventie zich durven te wagen aan een vervolgonderzoek. Maar als je het mij vraagt zijn de meeste omstandigheden helemaal niet serieus. Mensen gebruiken het om iets belangrijk te maken dat in wezen heel knullig is, of waar ze zich voor schamen. ‘Ik kan door omstandigheden niet werken’ klinkt veel gewichtiger dan ‘Ik kan vandaag niet werken omdat ik gisteren in een dronken bui mijn wenkbrauwen heb afgeschoren.’ Om maar iets te noemen. Deze wetenschap wakkert de nieuwsgierigheid natuurlijk alleen maar aan. Daarom vraag ik graag wat voor omstandigheden het precies betreft. Met gevaar voor eigen reputatie!

woensdag 3 maart 2010

Jammer

De afgelopen dagen was het slecht weer in Frankrijk. Het was zelfs zo erg, dat het de Nederlandse berichtgeving haalde en mijn moeder drie keer opbelde om mij toch vooral op het hart te drukken niet de deur uit te gaan, omdat ik misschien wel een boom op mijn hoofd zou kunnen krijgen. De storm heeft nagenoeg het hele land getroffen, maar wonderbaarlijk genoeg bleef de regio PACA (wat staat voor niets minder dan Provence-Alpes-Côtes d’Azur) gespaard. Wat daarbij nogal opviel, is dat dit alles uitsluitend gepresenteerd werd door beschaafde weerdames. Ondanks storm en dijkdoorbraken dartelden zij perfect gekapt in een keurig pakje voor de camera, en stelden ze de kijker vriendelijk glimlachend gerust met de mededeling dat we morgen alweer vier minuten meer zon zouden hebben dan vandaag.

Interessant vond ik dat fenomeen. In Nederland hebben we natuurlijk ook een weervrouw: zij heet Marjon de Hond. Maar vriendelijk glimlachen doet ze meestal niet. Ze draagt nimmer keurige pakjes - ik heb juist het gevoel dat ze steeds ruimer vallende jurken gaat dragen- om over haar kapsel nog maar te zwijgen. Echt vrouwelijk is dat dus niet. De Nederlandse weertraditie kent verscheidene boegbeelden, maar veel vrouwen zitten er niet bij: wij spreken dan ook altijd over een weerman. Zo is daar Peter Timofeeff, die toch een beetje kaal blijft zonder snor, Erwin Kroll, die nogal saai is, en Piet Paulusma, die niet helemaal goed bij zijn hoofd lijkt te zijn maar wiens voorspellingen – zo heb ik mij laten vertellen – wel altijd kloppen. Gerrit Hiemstra is mijn favoriet. Wie zou niet smelten bij een weblog die leest als volgt: ‘Bij de weerredactie van NOS Nieuws hebben we nieuwe spullen gekregen. Het presentatiescherm is groter geworden en het heeft nu een verhouding van 16:9.’ Liefheid ten top, vind ik dat.

Hoewel ik Gerrit dus in mijn hart heb gesloten, kan het toch altijd nog beter. Bij de Rai wordt het weer gepresenteerd door, naar ik meen, een heuse carabiniere. En toegegeven, een man in uniform geeft toch net even dat stukje overredingskracht dat het weerbericht - van nature meer een soort borrelpraatje voor de zondagmiddag - doorgaans mist. Daarom ben ik een sterke voorstander van de daadkrachtige Italiaanse weercommandant, doorgaans getooid met allerlei glimmende medailles. Het lijkt een beetje op een generaal die allerlei spannende verschuivingen aan de frontlinies doorgeeft, in plaats van saaie hoog- en lagedrukgebieden. Laat het maar aan de Italiaanse televisie over om van laaghangende bewolking nog iets sensationeels te maken. Ik zit vooralsnog opgescheept met een nationale rampsituatie en Evelyne Dhéliat van TF1. Niets aan te doen.

dinsdag 23 februari 2010

Groentetrend


De moderne Nederlandse mens is eigenlijk nog uitsluitend vertrouwd met kant-en-klare groenten uit de stoommaaltijden van Albert Heijn. Ik heb zelfs een tijd een vriend gehad die uitsluitend iets groens wilde eten als er ook broccoli in zat, hetgeen mij een ware virtuoos heeft gemaakt op het gebied van broccoli-taart, omelet met broccoli, gewokte broccoli… Waarmee ik maar wil zeggen, er zijn veel soorten groenten die wij niet direct kunnen benoemen, laat staan op gepaste wijze schoonmaken en bereiden. Pastinaak bijvoorbeeld. Volgens mij is dat een soort van langwerpige knol, maar helemaal zeker ben ik daar niet van. Ook had ik onlangs nogal wat moeite met het identificeren van venkel, en van het onderscheid tussen bleekselderij en knolselderij raak ik altijd een beetje in de war. Voor deze producten bestaat een heel prozaïsche noemer: ‘vergeten groente.’


Om deze vergeten groenten een beetje uit het verdoemhoekje te halen, had de Universiteit Utrecht toen ik daar nog studeerde een mooi initiatief, genaamd ‘De Groentetas.’ Voor 5 euro per week at je als student een week lang de meest bizarre groenten (en fruit) afkomstig uit een bruin papieren zak, te bereiden volgens bijgeleverd stenciltje met recepten. Ik ben daar nooit aan begonnen, het idee dat ik een hele week zelf zou moeten koken vond ik in die tijd (eigenlijk nog steeds) erg beangstigend. Maar het initiatief valt in theorie toe te juichen. Een wazige huisgenoot van mij had wel zo’n tas, sterker nog, zij had daar een abonnement op, en mijn herinneringen aan haar culinaire experimenten zijn niet al te best. Zo was daar de keer dat ze iets had proberen te maken met gepureerde pompoen erin: een ware nachtmerrie. Urenlang hebben we de oranje kledder van de muren moeten dweilen.


Toch is het allemaal niet voor niets geweest, want de pompoen heeft een ware revival doorgemaakt. Eigenlijk was het ook meer een modegroente (of modevrucht?), geïmporteerd uit -waar anders- Amerika. Tien jaar geleden werd de pompoen in Nederland uitsluitend gebruikt als ludieke decoratie in de bloemstukjes van eigen huis en tuin, tot ineens de pompoensoep werd geïntroduceerd in ons leven, en daarna de pompoen-pastasaus, en de pompoen met vlees in de oven, enzovoorts. Zelf denk ik dat de trend van de komende jaren de kaki wordt. U heeft hem misschien al wel zien liggen bij de Turkse groenteman, zonder te weten dat het een kaki (kako?) was. Deze mooie oranje vrucht heeft een mangoachtige structuur en kan, met een beetje fantasie, prima in warme gerechten worden gebruikt. Over niet al te lange tijd zullen wij allemaal niets anders meer willen. De mode is onverbiddelijk.

vrijdag 19 februari 2010

Blootsvoets


Mijn eerste ervaring op het gebied van yoga was meteen stevige spirituele kost, niks geen gezellige studentengymnastiek met een frisse yogajuf. Dat kwam zo, twee Spaanse vriendinnetjes van mij in Rome zaten op buikdansen, en na het buikdansen was er toevallig een proefles yoga. En of ik zin had om mee te gaan. Omdat ik in die tijd eigenlijk bijna overal ‘ja’ op zei, deed ik dat meteen. De les vond thuis plaats bij de meester zelf, een man met een lange witte baard die ons gebood een schapenvachtje uit te rollen en onze schoenen bij de voordeur neer te zetten. Vervolgens moesten we gaan liggen, en denken aan een bloem, aan de kleur van de bloem, aan de geur van de bloem, aan de blaadjes van de bloem, aan de vorm van de bloem, enzovoorts, en dit alles onder het murmelen van diverse mantra’s. Ook moesten we stevige ademhalingsoefeningen doen onder het uitroepen van Indiase kreten, terwijl de baard ons toebrulde: ‘Harder!!! Harder!!! Schreeuw het van je af! Dieper ademhalen!’


Aan het eind van de sessie werd het wat rustiger, zo rustig zelfs dat sommige mensen in slaap vielen en begonnen te snurken, maar dat scheen er allemaal bij te horen. Ik kreeg bijna een teen van mijn slapende buurman in mijn neus, dat was niet zo prettig. Enfin. Er werd ook nog kruidenthee geschonken als welkom aan de nieuwe cursisten, en daarna werd er rijst met groente en dadels gegeten in een kring rondom een groot kleed (ook allemaal nog steeds met blote voeten), hetgeen door de meester uit een grote pan werd gedistribueerd aan de volgelingen. Het had echt wel iets sacraals, moet ik zeggen. Toen men echter tegen elven begon met het vertellen van een spiritueel verhaal maakten wij ons snel uit de (blote) voeten. Wel een avond om nooit meer te vergeten. ‘Zie je nou wel’ zei mijn ene Spaanse vriendinnetje tegen mijn andere Spaanse vriendinnetje toen we op straat stonden, ‘zie je nou wel dat het een enge sekte is? Als je eenmaal meedoet laten ze je nooit meer gaan.’ Het bleef dus bij die ene les.


Momenteel heb ik een Franse juffrouw, die met klankschalen werkt en zachtjes fluistert dat we ons vooral moeten concentreren op onze ademhaling (‘concentrez-vous sur le souffle….sentirez le souffle… respirer profondement…’). Dat klinkt allemaal erg rustgevend zo in het Frans, moet ik zeggen. Maar volgens mij heb ik het gewoon niet in me, de kunst van het ontspannen. Zeker niet met allemaal onbekende mensen om me heen. De eerste tien minuten krijg ik meestal een lachaanval, en als die eenmaal is bedwongen lukt het me maar niet om me te concentreren op een imaginair punt tussen mijn ogen. Ik raak altijd afgeleid door meer aardse zaken zoals boodschappenlijstje voor vanavond en of ik het strijkijzer wel heb uitgezet. Volgens mij betekent dat, dat ik die yoga juist heel hard nodig heb, dus ik blijf dapper proberen. Alleen, ik blijf maar denken aan de blote voeten van mijn buurman. En zo lukt het natuurlijk nooit!

donderdag 11 februari 2010

Eenzame strijd

Mijn relatie met IKEA is altijd al problematisch geweest. Van alles wat ik ooit gekocht heb bij IKEA, heb ik spijt. Spijt omdat het vaak lelijk is, maar vooral omdat iedereen het heeft. IKEA betekent de dood van iedere inventieve woonoplossing. Ze doen ze wel net alsof je er iets heel creatiefs van kunt maken, met al die blitse showkamertjes, maar dat is natuurlijk onzin. IKEA is ongeveer net zo origineel als een schilderijtje maken met inkleurvakjes. Wat mij echt heel bijzonder droevig maakt is het idee van een flatgebouw, waar alle mensen van dezelfde borden eten en op dezelfde stoelen zitten en in dezelfde bedden slapen. We bevinden ons op het keerpunt waarop onze prachtige kapitalistische samenleving het esthetische niveau van de DDR begint aan de nemen, maar dan wel in hippe kleurtjes.

Ik denk dat God besloten heeft mij een beetje te plagen toen hij mij in Rome een appartementje in de schoot wierp dat tot in de kleinste details was ingericht door mijn Zweedse vrienden. Tot aan de theelepeltjes aan toe. IKEA! IKEA! IKEA! schreeuwde het hele huis mij in het gezicht. En, toegegeven, zo heel vreselijk lelijk was het nou ook weer niet. Om iedereen maar even de wind uit de zeilen te nemen: ook ik (schaam, schaam) heb ooit een bed bij de Zweedse meubelgigant gekocht. En het ligt heerlijk! Maar ik heb het wel aan het zicht onttrokken door een grote sprei. Mijn afkeer van IKEA strekt zich trouwens niet per se uit naar haar gebruikers. Ik zou wel willen, maar dat zou absoluut sociale zelfmoord betekenen. Ontzettend leuke mensen, waaronder mijn beste vrienden, zijn gretige afnemers van de doe-het-zelf pakketten waarmee je je eigen kastjes kunt knutselen.

Het gekke is, dat je zou verwachten dat alleen jonge mensen met lagere inkomens gebruik zouden gaan maken van deze massaproducten. Maar zelfs goed verdienende volwassenen die zich echt wel iets beters kunnen veroorloven, hebben wel ergens een of ander meubel staan dat de naam Åstrid draagt. Dus, toegegeven, democratisch is het wel. ‘Creating a better everyday life for the many people’ is dan ook de nobele slogan van de Zweden. Vorig jaar had het IKEA-concern een omzet van 23 miljard euro. Even iets concreter: dat zijn 115 miljoen Klippan banken, of 660 miljoen Billy boekenkasten. Anno 2010, zullen de mensen later zeggen, had heel Europa dezelfde meubels. Heel Europa? Nee, een klein groepje mensen bleef dapper weerstand bieden aan de overheersers…


vrijdag 5 februari 2010

De Franse slag

Wellicht heb ik -onterecht- de indruk gewekt dat ik sinds mijn aankomst in Marseille uitsluitend nog omga met Algerijnse minderheden, waarmee ik avond na avond naar Afrikaans voetbal kijk. Niets is minder waar. Julia woont namelijk samen met twee heel sympathieke promovendi afkomstig uit Arles, die televisie een buitengewoon verwerpelijk medium vinden. Ik mocht gerust bij hen logeren tot ik onder dak was in Aix, hadden ze me alledrie verzekerd. Deze ‘colocs’ heten Remi en Alexandre, en ze spreken allebei een klein beetje Engels met een zwaar accent. Dat is niet zo goed te volgen, en dus gaat mijn Frans ineens erg vooruit. Het enige Engelse woord dat ik inmiddels nog gebruik is ‘cool’ (uit te spreken als kwoellll).

Dankzij Remi en Alexandre heeft het begrip ‘met de Franse slag’ voor mij een meer concrete invulling gekregen. De ijskast bijvoorbeeld staat vol met allerlei onduidelijke potjes vet (?), oude stukjes kaas, halflege sojasausflesjes, japanse noedels en andere vage restjes. Toen Julia en ik besloten dat het tijd was voor een stevige schoonmaakbeurt, protesteerden de mannen luidkeels tegen deze ‘Duitse aanpak’ (Julia komt uit Tübingen) die hun voorheen ‘romantische’ ijskast had gereduceerd tot een ongezellige witte lege opbergplek. Ook de bruinzwart aangeslagen theepot mocht onder geen beding worden schoongemaakt, wij moesten toch begrijpen dat dat ten koste gaat van de theesmaak. Mijn eerste empirische ervaringen wijzen dus uit dat bovenstaande uitdrukking inderdaad precies de kern van de zaak raakt.

Ook de buurt waarin het gezelschap zich heeft gevestigd is buitengewoon authentiek. Uit financiële overwegingen wonen Julia en de ‘mecs’ in oude stadshart van Marseille, dat net boven de haven ligt en ‘le Panier’ heet. Dit klinkt allemaal erg charmant, en dat is het in principe ook. Maar zeker ’s avonds, als het hard waait en de vuilniszakken je - niet eens bij wijze van spreken - om de oren vliegen, wordt zo’n rustieke vervallen omgeving (compleet met klapperende luiken en voorbijstuivende zwerfkatten) toch wel erg oorspronkelijk. Bij aankomst werd mij met klem aangeraden om de trap altijd heel snel op danwel af te rennen. Bij navraag bleek dit in verband met een boze benedenbuurvrouw die onlangs Remi een bloedende lip bezorgde. Met de Franse slag!

donderdag 28 januari 2010

Coupe d'Afrique (2)

Gisteren was het dan eindelijk zover: Algerije in de halve finale van de Coupe d’Afrique. Wie zich afvraagt sinds wanneer ik mij interesseer voor Afrikaans voetbal, verwijs ik graag naar mijn vorige column. Ik arriveerde gelukkig net op tijd bij Julia’s minnaar om de eerste minuten te kunnen zien, en had een paar zakken chips meegenomen omdat ik inmiddels had geleerd dat je dat blijkbaar doet als je naar voetbal gaat kijken. De Algerijnse mannen waren ditmaal ook beter voorbereid op onze komst: ze hadden zowaar een appeltaartje meegebracht, en we moesten ook absoluut samen op de enige bank van de kamer gaan zitten, terwijl zij nederig plaatsnamen op de aanwezige bijzettafeltjes.

De tegenstander was Egypte en dat was niet mis, als ik Julia moest geloven is er heel wat haat en nijd tussen Egypte en Algerije. Aangezien er grote groepen van beiden in Marseille wonen, beloofde het in de stad een spannende avond te worden. De autoriteiten hadden zich duidelijk op het ergste voorbereid. Op de heenweg was ik een politiemacht gepasseerd van maarliefst een vijftigtal (!) ME busjes opgesteld rondom de oude haven, met nog een twintigtal motoren eromheen. Julia had zo haar twijfels over hoe gerechtvaardigd het precies was dat een hele gemeenschap moest opdraaien voor een stel ongeregelde afrikanen. Verder waren een aantal televisiebusjes gearriveerd, die duidelijk hoopten op een boel gedonder.

Inderdaad werd het nogal een slagveld, niet alleen in Marseille maar ook op het voetbalveld zelf. De klassieker Nederland-Duitsland is hierbij vergeleken het toppunt van beschaving. Om de halve minuut lag er iemand op de grond te kronkelen met een of andere blessure en met enige regelmaat werden spelers op brancards afgevoerd. Ook de rode en gele kaarten vlogen je om de oren. Toen de Egyptenaren uiteindelijk een doelpunt maakten, gooiden ze zich tot mijn grote verbazing allemaal spontaan met het voorhoofd en platte handen op de grond om Allah te danken. Zo’n dramatische teraardewerping heeft toch een hele andere impact dan een kruisje slaan. Ook op Allah waarschijnlijk, want Algerije is niet door naar de finale. 4-0. Tot nader order is dit dan ook het laatste bericht over sport.

maandag 25 januari 2010

Coupe d'Afrique

Natuurlijk zou ik gaan studeren in Aix-en-Provence, en dat zou dan allemaal verfijnd en schattig zijn en daar zou ik heel beschaafd Frans gaan leren. Maar in afwachting van een huisje met lichtblauwe deur en dito luikjes logeer ik in Marseille bij Julia. Julia is een Duitse architecte die ik ken uit Rome, waar ze ook al blijk gaf van een grote voorkeur voor het onconventionele. Ongevoelig voor iedere vorm van lavendel-charme, vindt ze Aix dan ook maar saai. Julia’s laatste amoureuze verovering is een Algerijnse snackbareigenaar, die een onderkomen heeft pal aan de haven. En omdat, voor mensen die dat niet weten (schande!) momenteel de Coupe d’Afrique wordt gespeeld in Angola, gingen wij op zondagavond gezellig voetbal kijken bij haar Algerijnse vriend.

Zo kwam het dus, dat ik met acht Algerijnse mannen voor het eerst van mijn leven een voetbalwedstrijd heb uitgezeten. Vergeleken bij Europese teams die ik lauw achter een bal aan heb zien hollen het Afrikaanse voetbal gelukkig wat interessanter. De tegenstander van Algerije in de kwartfinale was Ivoorkust, en ik geef toe dat voetballende zwarte mannen inderdaad mooi zijn om naar te kijken. Maar niet alleen vanuit esthetisch oogpunt was het leuk. Er werden doelpunten gemaakt, bijna-doelpunten, er raakten in de laatste tien minuten drie mensen ernstig geblesseerd, compleet met bloedspetters en drukverbanden, en het was een enorm lawaai met allemaal zingende en dansende supporters (en nee, dan heb ik het niet over mannen met een bierbuik die af en toe een a-ritmische dreun geven op een bovenmaatse trommel). Kortom, er gebeurde tenminste iets.

De Algerijnse mannen die naast ons zaten, waren niet zo uitgelaten maar juist zeer bijzonder respectvol. Wat fijn was, omdat ik mijn mond niet open hoefde te doen, daar werd in ieder geval niet op gerekend. Ze keken af en toe even heel schuchter onze kant op, en daar bleef het dan bij. Misschien is er toch wel wat voor te zeggen, de Arabische aanpak. Verder verschilden ze niet zoveel van mannen die waar dan ook ter wereld voetbal kijken, het is een troostrijke gedachte dat deze nobele sport ons allen verenigt. Toen Algerije inderdaad won, brak de pleuris natuurlijk uit en werd de Canabière geheel onbegaanbaar door enorme hordes feestende immigranten die met gekleurde fakkels Marseille onveilig maakten. Gelukkig escorteerden de Algerijnse gentlemen ons tot aan de voordeur. En aangezien onze aanwezigheid blijkbaar geluk bracht, zijn wij ook voor de halve finale uitgenodigd om als mascotte aanwezig te zijn. Ik haal de vlag alvast in huis.

http://www.coupedafrique.com/

vrijdag 15 januari 2010

Charmant


Onlangs was ik op een bijeenkomst in Nederland waar buitenlanders spraken over een Italiaans onderwerp. Het ging over futurisme, dus al meteen een beetje vaag. Een Amerikaan met een grote gele (futuristische?) strik opende vol citaten opgelezen in tenenkrommend Italiaans. Iedereen keek daarbij licht beschaamd naar de grond. Ondertussen ging het struikelen maar door, het leek wel alsof hij het liefst het hele boek had willen voordragen. Het probleem met Amerikanen die op Italiaanse les zitten, is dat ze het in theorie wel kunnen leren, maar dat dat zware complicaties voor de intonatie meebrengt. Het omgekeerde (een Engelssprekende Italiaan) is ook vervelend, maar gelukkig zie je dat alleen gebeuren in uiterste noodzaak; zodra de mogelijkheid zich voordoet wordt het gesprek meteen weer gezellig in de Moedertaal voortgezet. Dat terwijl de Amerikaan steeds weer indruk zal proberen te maken met zijn verkeerde klemtonen. En dat is best wel droevig.

Italianen die Engels spreken zijn minder storend – maar daarom niet minder genant – omdat je direct naar de slaapmodus kunt overschakelen, want de moeite van het luisteren kun je je bij voorbaat besparen. Ik herinner me een memorabele lezing van Claudio Magris in het Academiegebouw van de Universiteit, waar iedereen erg naar had uitgezien. Het ging over taal en recht en zat dus bomvol met juristen en rechtsfilosofen; het zou kortom de gloriedag moeten worden van de vakgroep Italiaans. Jammer alleen dat de langverwachte opperfilosoof na zijn welkomstzin volkomen onverstaanbaar was (en dat ook bleef). Af en toe kon je een flard opvangen van een zin, of van een woord, maar over de gehele linie waren het de meest dramatische anderhalf uur die de faculteit letteren ooit moet hebben meegemaakt.

Magris las overigens ook alles voor, maar dat is min of meer normaal. Tenminste, met name wat jongere Italianen zijn gewend hun zeer complexe verhaal van een blaadje op te ratelen omdat presentatievaardigheden niet in hun pakket voorkomen of hen dat blijkbaar is geleerd dat dat goed overkomt. En dat terwijl hun grijze professoren (die absoluut niet tegengesproken mogen worden) eigenlijk altijd maar wat uit het hoofd staan te fantaseren, nou ja, alleen als het in het Italiaans kan dus. Het is ook echt niet de bedoeling dat je vragen gaat stellen na afloop, al is daar in theorie wel gelegenheid voor. Wat wel mag is een (lang) verhaal houden over jouw persoonlijke opinie, mits de spreker uitgebreid wordt gecomplimenteerd met zijn lumineuze exposé. Op een echte vraag is men in het algemeen niet voorbereid, dus een daadwerkelijk antwoord kun je ook absoluut vergeten. Dit tot grote frustratie van (bijvoorbeeld) veel Amerikanen, die het juist graag bondig houden en dus een korte zin met een vraagteken erg op prijs stellen en niet weten wat ze aanmoeten met zo’n lofrede, waar je, au fond inderdaad niet veel mee kunt.

Maar charmant is het wel natuurlijk.