maandag 25 april 2011

Natuur


Mijn oma houdt van planten. Ook wel van vogels, maar ik denk het meest van groen. Vaak gaan we samen wandelen. Dat gaat weer heel prima, sinds ze een kunstheup heeft. Zo nu en dan staan we stil. ‘Wat is dat voor plant?’ vraagt oma dan. ‘Eh, een... eh... een boterbloem?’ probeer ik voorzichtig. Mijn oma zucht (heel) diep. ‘Een dotterbloem,’ zegt ze een beetje knorrig, ‘hoe vaak heb ik je dat al wel niet aangewezen?’

Vaak, dat geef ik meteen toe. ‘Maar thuis groeit dat allemaal niet, oma,’ verdedig ik mezelf, ‘in Utrecht zijn er alleen maar madeliefjes en paardenbloemen. En daarom vergeet ik het steeds weer.’ Oma schudt haar hoofd. ‘Je bent een stadskind,’ zegt ze, ‘daarom moet je extra goed opletten als je hier bent.’ Ik knik gehoorzaam. We lopen door.

‘Wat is dat nou, volgens jou?’ vraagt oma terwijl ze op de begroeiing van een akker wijst. Ik krijg het er helemaal warm van. ‘Tsja,’ zeg ik, terwijl ik heel erg hoop het goede antwoord te geven, ‘ik denk misschien...graan?’ Ik meen iets dergelijks weleens op de verpakking van meergranenkoekjes gezien te hebben. ‘Tarwe,’ zegt oma streng, ‘het is tarwe.’ ‘Is dat niet gewoon hetzelfde?’ vraag ik onschuldig. Oma kijkt moeilijk.

‘Eigenlijk vind ik planten niet zo interessant, mensen zijn toch veel leuker,’ waagde ik op een goede dag. Oma schudde toen haar hoofd. ‘Het is goed om te weten wat er groeit,’ zei ze resoluut. En dat was dat.

maandag 11 april 2011

Academia

Een tijdje deed ik onderzoek in Rome. Aan een Instituut. Dat klinkt serieus, en dat was het ook. Een instituut is een soort studentenhuis voor academici. Je krijgt een kamer, en de keuken en wasmachines moet je delen met de rest. Iedereen kweet zich gewetensvol aan zijn taak en om tien uur ging het licht uit. Al snel raakte ik inter-institutair bevriend met een ludieke Spaanse kunsthistorica. Niet alleen hadden de Spanjaarden er verstandig aan gedaan hun onderkomen ‘academia’ te dopen, maar ook kon je daar als kunstenaar een beurs voor krijgen.

Dat maakte het leven een stuk onconventioneler. ‘Ze zijn niet serieus,’ verzuchtte mijn vriendin Pilar vaak, ‘ik kan hier niet werken. Iedere nacht geven ze een feest. Dan zit je bij jullie beter.’ Inaqui bijvoorbeeld had zijn beurs verdiend met het project “het colosseum niet zien.” Hij maakte mooie filmpjes waarin je hem geblinddoekt zag ruiken, voelen en proeven aan de arenastenen. Ook was er een muizig meisje dat alleen maar schilderde in grijstinten. De bibliotheek stond op instorten, maar daar stond tegenover dat er een immense kunstcollectie hing.

Op een avond wandelden we door de tuin van de academia. Voor het tuinhuisje, waar een onnavolgbare componist resideerde, hielden we stil. ‘Ze zijn allemaal gek geworden,’ giechelde Pilar, ‘weet je wat ze hebben gedaan? Een wedstrijd in sexy onderbroekjes.’ De Spaanse mannen hadden haar, na wekenlange observatie van de waslijn, verkozen tot draagster van het meest barokke ondergoed. Toen ik terugkwam aan het Instituut kon ik nog net aanschuiven bij een discussie over veldwerk in Pompei. Ook leuk.

dinsdag 5 april 2011

Jarig

Hoe ouder je wordt, hoe minder spannend dat is. Voor je vijfde verjaardag kreeg je een vrolijke kroon van papier, een versierde stoel en mocht je uitdelen op school. Ook gaf je een partijtje. En eigenlijk was dat heel leuk. Soms, als ik bij de mensen naar binnen gluur, zie ik de volwassen variant van het partijtje. Dat ziet er dan uit als volgt: grote mannen en vrouwen die in een kring bier uit een flesje drinken of een stukje taart eten. Zo’n soort verjaardag wil ik natuurlijk niet. Toch heb ik het onbestemde gevoel dat er iets speciaals zou moeten gebeuren, maar ik weet niet precies wat. Het een beetje zoals met kerstmis. Opgelegde gezelligheid.

Uit protest en bij wijze van proef besloot ik daarom ooit één editie van mijn verjaardag helemaal alleen te beleven. Vieren kun je het in dat geval niet noemen. Alleen opstaan op je verjaardag is om te beginnen zeer weinig feestelijk – het is in feite de enige dag van het jaar dat ik het betreur geen hond in huis te hebben. Tegen beter weten in bleef ik hopen op een wonder. Een grote slagroomtaart in de keuken, een enorme berg post. Een oude vriend die speciaal van ver was gekomen om mij te zien. Maar er gebeurde niets, natuurlijk. Toen ik ’s avonds in mijn eentje bij de Turkse snackbar heel erg veel zelfmedelijden stond te hebben, realiseerde ik me dat ook dit geen oplossing kon zijn.

Dus vandaag doe ik gewoon weer ouderwets gezellig. Met slingers en ballonnen, en misschien zelfs wel kaarsjes op de taart. U mag allemaal bellen. Hoera!

vrijdag 25 maart 2011

Twaalfuurtje

Tegenover mij in de trein zat een man. Een man met een windjack en een broodtrommeltje op zijn knieën. Hij was opgestapt in Gouda. Opgeruimd opende hij zijn trommel. Er zaten twee bruine boterhammen in – met kaas. En een sinaasappel. De man begon met de sinaasappel. Uit de dichtritsbare zakken van zijn jack kwam een Zwitsers zakmes tevoorschijn. Daarmee begon hij zorgvuldig de vrucht te schillen.

Eerst de kontjes eraf. Daarna verder in een mooie ronde beweging, zodat de schil er in één stuk af komt. Zijn ellebogen gingen de lucht in van concentratie. Hij droeg ook een trouwring, zag ik nu. Uiteraard was hij getrouwd. Na de schil ging de onbekende man verder met het afpellen van het witte vel van de sinaasappel. Hij hield blijkbaar niet van velletjes, want hij deed dat heel precies.

De man keek even naar de vrucht en deelde hem in twee stukken. Toen stak hij, nogal abrupt, de ene helft in zijn mond en slikte. Veel te snel, na zoveel aandachtige arbeid. In tien seconden was alles op. Hij likte zijn lippen af en begon aan de boterhammen. Ook die schrokte hij in drie happen naar binnen. De man pakte een servetje en veegde daarmee zorgvuldig zijn zakmes af. Het mes ging terug in zijn jaszak en het servetje in de prullenbak.

Tevreden keek hij om zich heen. Lekker.

vrijdag 18 maart 2011

Gentleman

Op een druilerige herfstavond stond ik te wachten bij de bushalte aan de Via Ulisse Aldrovandi. Het was donker en het rook naar Rome en naar regen. Onder de druipende oleander zocht ik beschutting bij de muur rond de Villa Borghese. Daarachter bevond zich de dierentuin; af en toe klonk dan ook de natte lokroep van een tropische vogel. Mijn hoge hakken en ambassaderokje hadden last van het weer. Ik dacht aan de receptie waar ik die avond nog heen moest, en aan dat ik het eigenlijk zou moeten uitmaken met mijn vriend. Niet zo vrolijk.

Aan de Via Ulisse Aldrovandi ligt niet alleen een dierentuin, maar ook een heel mooi en duur hotel. Er logeren altijd belangrijke gasten van de nabijgelegen ambassades. Met zwierige gouden letters staat er ‘Aldrovandi’ boven de deur geschreven. Naast de ingang staan strak geknipte coniferen en er ligt een rode loper. Het is zo'n hotel waar het wemelt van de dames met Miu Miu tassen. Binnen blonken enorme kroonluchters boven een gepolijste balie. Vanaf de parkeerplaats draaide nu een glimmende donkere Mercedes de straat op.

Langzaam gleed de auto in de richting van de buspaal waarnaast ik verregend stond na te denken, en minderde vaart. Meteen was ik gealarmeerd. ‘Help,’ dacht ik, ‘HELP.’ Had ik nou maar gewoon een deugdzame rok aangetrokken. Waarschijnlijk leek ik heel veel op een treurig meisje van lichte zeden zonder geld voor een taxi terug. Ik ging nog dichter tegen de muur aan staan. ‘Laat hem doorrijden,’ bad ik (ineens religieus) tot de Heilige Maagd, ‘en alstublieft vooral geen oneerbare voorstellen doen....’ Het geblindeerde raam schoof open. Mijn hart sloeg drie keer zo snel als normaal.

Toen kwam er een papaplu naar buiten, en een hand.

‘Prego,’ zei een charmante dertiger, ‘una bella ragazza zoals jij moet niet nat worden in de regen.’

zondag 13 maart 2011

Sexy

Al beweer ik graag het tegendeel, in werkelijkheid conformeer ik natuurlijk net zo goed als iedereen. In Nederland geef ik me altijd meteen over aan het laat-maar-zitten-ik-trek-wel-gewoon-een-makkelijke-broek-aan gevoel. En wat draag je bij zo’n broek? Juist ja, sokken. Al maanden niet gedragen, werd ik me ineens weer pijnlijk bewust van de problematiek rondom de sok. Want. Het is voor mij vrijwel onmogelijk om twee dezelfde sokken vinden. Op de een of andere manier heb ik een hele berg met niet bij elkaar passende exemplaren.

Misschien zou het handig zijn als je je sokken aan elkaar kon haken in de was, dat zou een hoop schelen. Je kunt natuurlijk gewoon doorlopen op je twee ongelijke kousen. Maar dat geeft toch een ongemakkelijke asymmetrische sensatie, al voel je er eigenlijk niets van. Wat ik met enige regelmaat deed toen ik nog studeerde, was al mijn oude sokken in een keer weggooien en vijfentwintig paar dezelfde nieuwe, neutraal gekleurde paren kopen bij de HEMA. Maar dat geeft ook weer een beetje zo’n DDR-gevoel. En een sok is sowieso al niet erg spannend.

In die tijd nam ik eens een nieuw vriendje mee naar huis. ‘Zozo,’ zei mijn moeder tijdens het eten, ‘maar dat is niet zo elegant, een vriendin die altijd in een broek loopt’ (dat was ik). Mijn vriendje lachte een beetje onzeker. ‘Ja,’ ging ze verder, ‘en lastig ook. Die broek moet je eerst helemaal uittrekken als je met iemand naar bed gaat, dat lijkt me nog een heel gedoe.’ Mijn vriendje keek angstig mijn kant op. ‘En dan moet je ook nog die gekke sokken uitdoen. Basje heeft altijd sokken aan met gaten erin, dat lijkt me helemaal niet aantrekkelijk...’ ‘Zeg,’ onderbrak ik haar net op tijd, ‘wil er iemand nog wat aardappeltjes.’

Mijn moeder, het moge duidelijk zijn, is niet zo van het broekdragen. Nu ineens sokloos bij haar te logeren had ik haar enige paar geleend, in een diep verleden aangeschaft voor een tennisles. Toen ik ze na het uittrekken -in een poging er toch nog iets sexy's van te maken- nonchalant achter mijn rug gooide, vlogen ze linea recta het open raam uit en de lentelucht in. ‘Ehm, mam, je sokken hangen nu in de lindeboom, ben ik bang,’ zei ik bij het ontbijt. ‘Godzijdank,’ antwoordde ze zichtbaar opgelucht.

dinsdag 8 maart 2011

Buitengewoon

Donderdagavond at ik met mijn huisgenoot. ‘Ik ga iets schrijven,’ kondigde ik aan, ‘over eigenzinnigheid.’ ‘Ah, iets over jezelf,’ veronderstelde hij achteloos, ondertussen trachtend zijn lasagna in evenredige porties te verdelen. ‘Jeetje, ben ik zo excentriek dan?’ vroeg ik meteen nieuwsgierig. ‘Oh neenee,’ zei hij haastig, ‘nee, nee, nee, dat bedoel ik natuurlijk helemaal niet. Je bent, uhm..... heel origineel.’

Origineel, weten we allemaal, is een eufemisme voor stapelgek. Ongeveer net als interessant een gebruikersvriendelijke term is voor raar. En dat terwijl ik tegenwoordig juist heel aimabel in de omgang ben. Ik schreeuw niet tegen mensen, ik maak ze (meestal) niet aan het huilen en eet mijn bord leeg. Ook luister ik beleefd naar dingen die verschrikkelijk langdradig, irrelevant of dom zijn. Op zaterdag doe ik boodschappen en op zondag de was. Nogal saai.

Als kind was ik veel leuker dan nu. Mijn ouders waren uiterst bemoedigende opvoeders. Binnen het redelijke was eigenlijk alles mogelijk (‘als ze een atoombom gooit, staat haar moeder nog te applaudisseren,’ schreef een ex-vriend verbitterd). Niets moest, waardoor ik zalige jaren lang alleen maar witte boterhammen met hagelslag lustte, leerde fietsen toen ik al bijna meerderjarig was en in verkleedkleren naar school ging.

Jammer dat de maatschappij met veel van die eigenzinnige dingen korte metten heeft gemaakt. Maar blijkbaar hebben bepaalde hardnekkige karakterelementen –zonder dat ik me daar bewust van ben- toch stand weten te houden. Wat zou het geweest zijn? Mijn muts van Russisch konijnenbont? Binnenshuis bellenblazen? Huppelen op straat? Het voorstel om de azalea op de vensterbank met een grote schaar te verknippen? Ik kon zo snel eigenlijk niet veel excentriekers bedenken. Maar misschien ben ik wel zo gek dat ik het zelf niet meer zie.

‘Neem nog een glaasje wijn,’ zei mijn huisgenoot verontschuldigend, ‘ik bedoelde er verder niets mee, hoor.’

En bedankt.

zondag 27 februari 2011

Blij

‘Telefoon voor je,’ zei mijn moeder op een dag in de jaren negentig. ‘Marieke.’ Dat was interessant, want Marieke had mij nog nooit ergens voor gebeld. Ze zat bij me in de klas, maar ze had Grieks en ik Latijn, zij Duits en ik Frans, zij aardrijkskunde en ik economie. Voor zover ik wist hoefden we niet samen een werkstuk te maken. Verwachtingsvol nam ik dus de hoorn op. ‘Ja hoi,’ zei Marieke, ‘misschien een beetje gek. Maar ik bel je, omdat ik je stukje in de schoolkrant heb gelezen.’ ‘Ah?’ ‘Ik vond het heel grappig,’ ging ze verder, ‘en ik dacht, als je zin hebt, kunnen we samen in de redactie gaan. ‘

Aldus geschiedde. We gingen verder als beste vriendinnen, zoals dat toen heette, en redden de schoolkrant, een noodlijdend instituut, van een gewisse dood. We pasten samen op, gingen samen op schoolreis en werden verliefd op dezelfde jongen. We zagen samen een ontzagwekkende hoeveelheid kunst en verknipten de Vogue Italia voor wazige artistieke doeleinden. Ook werden Marieke en ik vaak erg dronken, zo dronken als ik later nooit meer ben geweest. Er waren lange avonden waarop we gevloerd waren door de drank (althans ik), ondertussen roepend dat we echt hoognodig zuivel moesten eten om weer nuchter te worden.

Later verhuisde Marieke naar Amsterdam. Bij haar hospita in de Rivierenbuurt kreeg het begrip "op kamers" context en gingen we voor het eerst naar de Escape (‘Zitten daar nou mensen te snuiven...? Neeeee, dat kan gewoon niet waar zijn...’). Toen volgde een lange periode van stilte waarin we allebei heel verschillende dingen deden. Na vier jaar kwam ze logeren in Rome. In de Villa Borghese bleek dat Marieke de mythologie nog altijd beter paraat had dan ik. Dat er nog steeds een potje handcrème meeging. En dat we ook nog fijn ruzie konden maken over wie de fles met water dragen moest.

‘Weet je, dat je eigenlijk helemaal niet veranderd bent?’ vroeg Marieke toen we later over het Piazza di Spagna liepen.

Van sommige mensen ben je gewoon ontzettend blij dat ze bestaan.

zaterdag 19 februari 2011

Lief

Mijn eerste vriendje heette Ivo en hij speelde gitaar. Het was een godswonder dat Ivo mij zag staan, want hij was echt heel populair, terwijl ik een beetje onderaan de sociale pikorde bungelde met mijn schoolkrant en Nana Mouskouri bril. Toen ik voor de eerste keer zoende met Ivo was het net alsof de grond wegzakte en de wereld wegviel. Zonder Ivo leek het allemaal nergens op. Heel veel lange koude winteravonden lagen we samen op de bank, en rond half vijf fietste hij me dan weer naar huis.

Het zwijgzame mannenhuishouden van mijn geliefde was wel even schrikken na de gebloemde kopjes thee waar ik tenslotte aan gewend was. Ik leerde allemaal nieuwe dingen, zoals het verschil tussen een Honda CRX en een Honda Prelude en dat een gitaar zes snaren heeft maar soms ook acht of twaalf. Ik leerde wie Jimi Hendrix was en waarom hij belangrijk is. Dat bier ook per krat wordt verkocht en dat Indisch eten heel lekker is.

Een dag zonder Ivo was een dag niet geleefd. Ik maakte de inschattingsfout een week –alleen- naar mijn vader in Verona te gaan. Dat zou te overbruggen zijn, dachten we. De eerste dag huilde ik bij het ontbijt. De tweede dag bij het ontbijt en bij het middageten. Op de derde ochtend in tranen zuchtte mijn vader diep en sprak ‘neem die jongen de volgende keer maar mee.’ Vervolgens stapte hij hoofdschuddend in de auto, annuleerde mijn vlucht en reed me helemaal terug naar Nederland. Onderweg voelde ik me iedere minuut blijer, als een bloempje dat in het water is gezet.

Dat was een lieve tijd.

zaterdag 29 januari 2011

Aart

Op een groen geschilderd bankje bij de bushalte zat Aart. Hij zat daar al zo lang ik me kon herinneren van negen tot zes, en rookte zware shag. Daarbij rochelde hij van tijd tot tijd onrustbarend. Aart woonde in een woongroep die naast onze school stond. ‘Voor mensen die niet goed voor zichzelf kunnen zorgen,’ zei mijn moeder. ‘Voor gekken,’ zeiden we in de klas.

Gek of niet, overdag mochten de onzelfstandig wonenden zonder begeleiding de straat op. En dat deed Aart dan ook. Hij was bovengemiddeld lang en liep met gebogen rug, het leek wel een hoepel. Al decennia had hij dezelfde kleren aan, een bruine broek met blauw jasje. Boven zijn grauw ingevallen gezicht krulde een bos pluizig haar in een soort tijdloos afrokapsel.

Onder zijn medebewoners was een mevrouw met een rollator die elke dag naar het café op de hoek liep, om daar glaasjes advocaat te drinken. En een jongeman die Philip heette en vooral berucht was bij de plaatselijke middenstand (omdat hij eindeloos door bleef ouwehoeren tegen het personeel) en bij meisjes in de puberteit (omdat hij ook graag met jonge meisjes praatte).

Met Aart was het tegendeel aan de hand. Aart praatte namelijk met niemand. Hij rookte. Op een bepaald moment in de jaren tachtig had hij zich het bankje bij de halte van lijn 54 toegeëigend, en daar zat hij berustend te wachten. De buschauffeur kende hem en stopte dus niet. Weer of geen weer, het vertrouwde gerochel van Aart klonk altijd van achter de grote eikenboom vandaan.

Op een dag zat Aart niet meer op zijn bankje. Was hij dood? Overgeplaatst naar een ander tehuis? Of toch maar eens ingestapt richting Woudenberg? Ik hoop het laatste.

zaterdag 22 januari 2011

Andijvie


Toen ik vier werd, kreeg ik van mijn vader een konijn. Zwart met wit. Hij timmerde er ook een ren voor, waar hij drie zonnige zaterdagmiddagen mee in de weer was. Mijn moeder was niet erg gecharmeerd van de gezinsuitbreiding, want een dier hoort niet in een hok, vond ze. Wellicht om het beest een beetje te troosten gaf ze hem uitsluitend exquise hapjes. Heel lang heb ik niet geweten dat mensen ook andijvie kunnen eten, dat ging bij ons altijd regelrecht naar het konijnenhok. Net als wortels, trouwens. Op dit krachtvoer-dieet bereikte het konijn de recordleeftijd van vijftien jaar.

Ook kreeg hij zo nu en dan een zogenaamde knabbelstok. Deze knabbelstok plachtten wij af te nemen bij de dierenwinkel op de hoek, sinds jaar en dag gerund door een aardige blonde kerel met de naam Dirk. (‘Leeft-ie nou nóg?’ vroeg Dirk elke keer stomverbaasd.) In de dierenwinkel was veel te zien. Dit was allemaal voordat de slangen en de baardagamen hun intrede deden in het Hollandse huishouden. Destijds waren er vooral klassieke hamsters, konijntjes, vissen en vogeltjes te vinden. In de geurcocktail van cavia en hondenbrokjes zat ik er urenlang met mijn neus tegen een van de acquaria geplakt.

De ren van mijn vader, bleek al snel, was niet zo degelijk als wij dachten. Zo nu en dan ontsnapte het konijn, dat natuurlijk ook wel eens een avontuurtje wilde. Hij liep nooit echt weg, maar verschanste zich in de buurtuin. Daar had hij het reuze naar zijn zin. Het was dan ook een grasveld van olympische afmetingen met diepe borders. Om nooit nader gespecificeerde redenen durfde mijn moeder het dier niet op te pakken, en -het moet gezegd- ik was ook vrij onhandig. In zo'n situatie werd mijn vader op zijn werk gebeld. Hij sprong dan meteen in de auto om de crisis te bezweren. Ik zie hem nog met onze bejaarde buurman achter het konijn aan hollen. In pak.

zondag 16 januari 2011

Magisch

De Efteling. Wie is er niet groot mee geworden? Denk eens terug aan de goede dagen dat we het uitkraaiden van plezier als we het zevende geitje in de klok ontwaarden en van zingende paddenstoel naar zingende paddenstoel renden. Mijn moeder wilde altijd heel lang kijken naar de rode schoentjes, maar dat was eigenlijk niet zo spectaculair. Nee, dan de grote groene draak! Die rook ook altijd een beetje naar verbrand rubber. Heel spannend was dat.

Maar het allerbeste en allermooiste van het sprookjesbos vond ik de Indische waterlelies, gebaseerd op een verder totaal onbekend sprookje van de hand van koningin Fabiola (wist u het?). Vroeger was de stem die het verhaal vertelde van Fabiola zelf, tegenwoordig is het Paul de Leeuw (oh gruwel) met zijn lijmstem. Op zich niet zo erg, het verhaal was toch altijd al volkomen onduidelijk. Iets met een heks, en een vloek, en sterren, of zo.

In ieder geval. Als het nacht was, gingen de betoverde waterlelies open en dan dansten daar een soort van elfjes in. Ze dansten op een heel koddig doch pakkend deuntje dat ook nu nog zijn emotionele uitwerking op mij niet mist. Zelfs nu op een filmpje vind ik het nog mooi om te zien, ook al valt ineens op dat de popjes houterig bewegen en de ganzen niet helemaal in de maat deinen. Het blijft magisch. Jammer dat het maar twee minuten duurt.


zaterdag 8 januari 2011

Carrière

Toen ik me eens in een existentiële crisis bevond, besloot ik vat op de zaak te krijgen door een zogenaamde loopbaanoriëntatiecursus te volgen. Tijdens zo’n cursus word je gedwongen om doorwrochte vragenlijsten in te vullen, iets waar ieder weldenkend mens normaal gesproken onderuit probeert te komen. "Geef aan in welke mate u genoemde waarden in uw werk wilt terugvinden: macht - dichtbij de natuur - nadenken over de zin van het leven." Moeizaam. Het invullen van de lijsten duurde een dag.

Op de tweede dag mocht je praten over wat je wilde worden toen je klein was, dat leek me nog wel leuk. Er waren helaas geen mannen bij, die willen natuurlijk niet abstract ouwehoeren over hun jeugdtrauma's en onbenutte competentiepotentieel. Geen brandweermannen of politiedromen dus. Nee, de meisjes in mijn groep hadden altijd juf willen worden. Of dierenverzorgster of banketbakker.

Natuurlijk bestaan er kinderen die als kleuter al kraaien dat ze later gaan leren voor dokter, en dat dan ook echt doen. Laat ik het maar meteen zeggen, ik was niet zo’n kind. Eigenlijk wilde ik altijd gewoon het liefste zestien zijn, maar toen ik dat eenmaal was geworden bleek het toch niet zaligmakend.

Wellicht kwam dit gebrek aan inspiratie doordat er maar weinig concrete beroepen in mijn omgeving te bespeuren waren. De vaders van de vriendinnetjes van de chique school die ik bezocht waren Afwezige Mannen in driedelig grijs met een dure auto en een dure bril. Van de meesten weet ik nog steeds niet wat ze eigenlijk doen. Hoewel, er was een tandarts bij, dat was weliswaar concreet maar doodeng.

Dit alles bracht mij een beetje in een lastig parket bij de loopbaancursus. Ongemakkelijk schoof ik op mijn stoel heen en weer. Toe maar,’ zei de aardige mevrouw van de cursus bemoedigend. ‘Prinses,’ fluisterde ik uiteindelijk blozend, ‘ik wilde prinses worden.’

Eigenlijk nog steeds.

vrijdag 31 december 2010

Praktijk

Een jaar geleden schreef ik hier mijn eerste stukje: over het theorie-examen. In de tussentijd is het me godzijdank gelukt om ook het praktische gedeelte van het rijbewijs met succes af te ronden. In een keer, zeg ik er steeds trots bij. Wel met zestig lessen van anderhalf uur, maar dat hoeft niemand te weten behalve u, ik en mijn vader die zo goed was de zaak geheel belangeloos te bekostigen. Nou ja, geheel belangeloos. Misschien met oog op de toekomst, als hij oud en krakkemikkig is en ik hem rond mag rijden. Wie zal het zeggen.

Op een gegeven moment had ik zoveel rijles gehad, dat ik begon te denken als mijn theorieboek. Autorijden is als het leven zelf, filosofeerde ik dan. Het is een kwestie van opletten, en zo goed mogelijk anticiperen. Van voorzichtig en toch daadkrachtig optreden. Met als uitgangspunt de andere deelnemers zo min mogelijk te hinderen, al lukt dat vaak niet (‘Dat vind ik niet zo’n goede oplossing, die je daar kiest,’ zei mijn rijleraar Piet dan, wat rijleraarjargon is voor FOUT).

Sinds de memorabele dag van het afrijden moet ik het stellen zonder Piet, die inmiddels ook mijn psycholoog en relatieanalist was geworden. ‘Basje meisje,’ zei Piet bijvoorbeeld, ‘jij moet een grote meid worden in het verkeer, en niet steeds zo zitten piepen.’ Daar had hij zeker gelijk in. ‘Vooruitkijken, niet steeds in het gebeurde blijven hangen,' zei Piet ook, 'anders ga je alleen maar meer fouten maken.’ Alweer een waarheid die staat als een huis, en ook buiten de auto zeer toepasbaar is. 'Piet, jij geeft geen rijles, jij geeft therapie,' zei ik regelmatig.

‘En het kost niks extra,’ voegde Piet er dan met een knipoog aan toe.

vrijdag 17 december 2010

Artis

Ik gaf de Schrijver altijd een jaarabonnement op Artis voor zijn verjaardag. In het bijzonder waren wij gehecht geraakt aan nijlpaard Tanja. Zij woonde in een piepklein betonnen bassin maar kon wegens ouderdom niet kon worden verhuisd (dat laatste hadden we gelezen in het Artisblad). Verder stonden we altijd even extra lang stil bij de twee geleende ijsberen uit Parijs, die zonder onderbreking neurotisch rondjes liepen op hun cementen ijsschots.

Mijn vriend ging –naar eigen zeggen- vooral naar Artis om ongelukkige gezinnen te observeren. ‘Kijk poezie, daar lopen er weer een paar,’ wees hij dan. Ik knikte en smeerde nog maar eens wat lipgloss op. Destijds (anno 2002) was ik een grootverbruiker van lipgloss, meestal met aardbeiensmaak of soms met een beetje glitter. ‘Lippenstift bewaart ze wel voor later,’ zongen de Schrijver en Martin dan, ‘dat loopt veel te veel in de gaten’ (Kinderen voor Kinderen 7).

Ik zelf had het eigenlijk niet zo op Artis. De flamingo’s bij de ingang stonden in een bruine plas water te wachten op beter weer, en leken te lijden aan ernstige depressies. Ook de meeste katachtigen maakten een uitgebluste indruk in de druilerige oktoberregen. Sommige dieren zaten binnen, maar daar werd het niet veel beter van. Zo was er een broeierig "reptielenhuis" met een verzameling enge klamme krokodillen en een sterk stinkend "apenhuis" waar een kolonie overdekte apen ongeinspireerd in de touwen bungelde.

'Je mist het punt, poezie,' zei mijn vriend dan, 'je mist het punt. Artis is een Echte Autenthieke Amsterdamse Stadsdierentuin. En waar vind je dat nog, vandaag de dag?' Inderdaad. Misschien wordt het tijd om weer eens richting Artis te gaan om de situatie te herevalueren. Het zal natuurlijk niet meer hetzelfde zijn als toen. Tanja is vorig jaar overleden, las ik. De ijsberen zijn terug naar Parijs. Maar ongelukkige gezinnen zijn van alle tijden. En lippenstift bewaar ik nog steeds voor later.

dinsdag 7 december 2010

Poezie

Op een goede dag in ons eindexamenjaar zochten mijn vriendinnetje en ik voor de schoolkrant een flamboyante oud-leerling om een leuk stukje te schrijven. Onze leraar Nederlands, zelf auteur van enige dichtbundels, tipte een student journalistiek uit Amsterdam. ‘Hij drinkt stevig en is een beetje gek, maar hij schrijft goed,’ waarschuwde hij.

De docent had niets teveel gezegd. Al spoedig na ons contact met de journalist in spe begon mijn naam op te duiken in columns van obscure -en helaas ook minder obscure- studentenblaadjes. In dat soort columns was ik dan zestien, droeg ik Snoopyondergoed en speelde ik volleybal. Dat vond ik niet leuk. Ik was namelijk net achttien geworden en droeg uitsluitend Hello Kitty onderbroeken, en ik had een hekel aan bijdehante jongens die stukjes over mij schreven.

De schrijvende student deed daarop iets slims. Hij nodigde mij uit bij hem thuis. Destijds bewoonde hij de vierde etage van een grachtenpand, samen met zijn beste vriend Martin, die hij introduceerde als ‘de nicht.’ Die vier verdiepingen vielen nog niet mee, vooral niet als je veel wijnflessen mee naar boven moest sjouwen, en zeker niet als je na het drinken daarvan weer naar beneden moest. Maar het uitzicht op de Westertoren was subliem.

Ik flikkerde meteen die avond – en niet eens met opzet - een glas rode wijn over het witte tapijt. ‘Geeft niks,’ zei de Schrijver, ‘dat er nog maar vele glazen mogen volgen.’ Niet lang daarop raakten wij inderdaad verzeild in een langdurige doch enigszins dysfunctionele relatie. Een relatie waarin ik regelmatig croissants uit het raam gooide, stampvoette als iets me niet zinde, 's nachts scheldend langs de grachten rende en ‘poezie’ heette.

‘Die poezie van jou, die blijft niet,’ sprak Martin op een dag profetisch terwijl hij een trek nam van zijn sigaret, ‘over een jaar of tien, als wij allang in de goot liggen te verrekken, dan rijdt er een enorme auto voorbij en daar zit zij dan in. Naast een rijke man.’ ‘Niet waar, ‘riep ik beledigd, ‘niet. Dat zou ik nooit doen. Ik blijf altijd bij jullie. Altijd.’

‘Voorlopig,’ zei Martin bedachtzaam, ‘voorlopig.’

woensdag 1 december 2010

Kus

In de wijze van begroeten liggen belangrijke interculturele verschillen besloten. Voor mannen zijn de problemen groter dan voor vrouwen, omdat die elkaar in Nederland blijkbaar niet zomaar op de wang kunnen zoenen. In plaats daarvan wordt een soort van stoer ritueel uitgevoerd dat een combinatie is tussen een handdruk en een joviale klap op de schouder. In de meer mediterrane landen daarentegen dient juist te worden gekust en omhelsd. In Afrika zag ik ook vaak mannen hand in hand lopen. Dacht ik eerst dat het een heel homosueel-vriendelijk gebied was, maar het bleek bij nader inzien een normale vriendschapsuiting te zijn.

Ook voor de kussende vrouw zijn er echter enige kanttekeningen. De Hollandse zoen is tegenwoordig standaard drievoudig, te beginnen bij de rechterwang (jouw rechterwang, de linkerwang van de gekuste). Dat heeft zelfs een naam: de Brabantse drieklapper. In het Italiaans wordt slechts tweemaal gekust en dan (let op) links beginnen, terwijl Frans tweemaal vanaf rechts is. Dit bezorgt heel wat Nederlanders vervelende neussituaties en is ook nog eens lokaal gebonden: in Arles bijvoorbeeld is het verwarrend genoeg drie zoenen (maar ik ben alweer vergeten aan welke kant men dient te starten). De Belgische zoen is geloof ik een enkele kus vanaf rechts, maar ook dat durf ik niet helemaal met zekerheid te zeggen.

Nu komt natuurlijk het meest interessante gedeelte. Zijn er ook dergelijke verschillen in de tongzoen, vraag ik me af. Zou de French kiss een soort universele standaard zijn, zegmaar de Bic Mac van de kus? In theorie lijkt me van wel, alleen in praktijk heb ik eigenlijk geen flauw idee. Maar als Europese trainee heb ik volop mogelijkheden om dat te gaan ontdekken. Als je werkt bij de Commissie ga je niet op zakenreis, of business trip, je vertrekt op een Missie. Dat klinkt heel interessant, alsof je uit naam van de Europese Unie de wereld gaat redden of zoiets. Dus begin ik hier met mijn eigen Missie. Ik houd u op de hoogte.

dinsdag 30 november 2010

Traditie

Om te beginnen met een understatement: ik ben van huis uit vrij strikt met thee. Ik heb dan ook nog wat appeltjes te schillen met de marketingafdeling van Sara Lee, het concern dat de van oorsprong zo prachtige Hollandse theebeleving in enkele decennia naar cup-a-soup niveau heeft getorpedeerd. Recentelijk achtte men de markt zelfs rijp voor een wanstaltig product genaamd ‘Tpads’, maar dat is het gelukkig niet geworden. Omdat wij echter toch toe waren aan iets nieuws, introduceerde Lipton kekke zakjes in piramidevorm met daarin zowaar echte (wow) theeblaadjes. Vergeleken met de vergruisde surrogaatsubstantie die ons sinds jaar en dag door Pickwick als thee wordt verkocht, is deze revolutionaire 'losse thee' (sic) natuurlijk wel degelijk een vooruitgang.

Het uitgesabbelde zakje is godzijdank op zijn retour, dat durf je je visite niet meer aan te bieden. Nu willen wij alles vers. Daarom drinken we ook steeds meer ‘verse muntthee.’ De benaming is wellicht wat florissant voor wat het is, namelijk heet water met een paar ongewassen takjes muntbladeren erin. Met een beetje geluk krijg je er een knijpfles honing bij, en dat is dan je oosterse smaaksensatie. Het doet mij altijd wel wat denken aan een dampend glas slootwater. De vaardigheid van het theezetten dreigt helaas onherroepelijk verloren te gaan, daar helpt geen muntthee aan. En dat terwijl het een bijzonder rustgevende ceremonie is in tijden van nood en crisis. Daarom bij deze.

Zet een ketel water op (geen nieuwerwetse waterkoker natuurlijk). Als de ketel fluit, de theepot even omspoelen met heet water. Dan een schep blaadjes erin. Water erbij, deksel erop, theemuts eroverheen en even laten trekken. Bij het schenken niet vergeten een zeefje gebruiken. Dit is een moeilijk punt voor generatie Y, merk ik dikwijls. Het is aandoenlijk om te zien hoe men hulpeloos een zeefje blaadjes in het kopje probeert te hangen, of (ook vaak gezien) heet water door het met bladeren gevulde zeefje begint te schenken. Voor eens en voor altijd: een theezeefje is uitsluitend bedoeld om te voorkomen dat je theeblaadjes in je kopje krijgt.

En vergeet de koekjes niet.

zondag 21 november 2010

Lastig

Ook op het idealistische vlak stelt een mens prioriteiten. Zo ben ik erg afkerig van alles wat neigt naar bio-industrie, en houd ik nauwlettend in de gaten wat voor kippenwelzijnsnummertje er op mijn ei gestempeld staat. Daarentegen maak ik me zelden tot nooit zorgen over climate change (voorheen: global warming) of uitstervende pandaberen. Het scheiden van afval is ook nooit een van mijn aandachtspunten geweest. Papier en glas apart, zo ver ben ik inmiddels wel, maar de rest pleur ik met zeer veel voldoening in één grote bak.

In Brussel is dat helaas niet mogelijk. Er wordt hier gewerkt met een ingenieus systeem gekleurde zakken, waarvoor ik een begeleidend schrijven ter hand moest nemen. Het begon op het eerste gezicht logisch, namelijk met een groene zak voor het plantaardige afval. Deze zak kan echter maar van april tot november worden gebruikt. De andere maanden moeten de groene spullen namelijk in de witte zak (daarover later meer). Dan is er nog een gele zak voor papier (‘but only not food-soiled or greaseproof’). Met de blauwe zak wordt het nog weer lastiger. Deze is bedoeld voor recyclebaar verpakkingsmateriaal zoals hard plastic, aluminium bakjes en drinkverpakkingen. Dit alles dient schoon te worden aangeleverd (‘think of the person who has to hand-sort your trash on conveyer belts’). Yoghurtpotjes, dun verpakkingsplastic en aluminiumfolie moeten echter niet in de blauwe maar in de witte zak, bij al het niet-afbreekbare vuilnis.

Nu durf ik nauwelijks nog iets weg te gooien. Bij ieder stukje plastic vraag ik me af, of het nu herbruikbaar hard plastic is voor in de blauwe zak, of dat het onherroepelijk vervuilend witte-zaksafval is. En als het in de blauwe zak gaat, moet ik het eerst nog afwassen ook. Ook maak ik me zorgen om bevlekt papier: in de gele zak of bij twijfel toch kiezen voor wit? Net was ik een beetje gewend aan het Nederlandse GFT systeem – wel de kaas in de groene container maar de korstjes juist weer niet –en nu moet er alweer worden omgeschoold. Ik vraag me soms wel af, hoe minder bewuste mensen dat allemaal voor elkaar krijgen.

maandag 1 november 2010

Naakt

Ik stond in een lange rij om een treinkaartje te kopen op Brussel Centraal. Achter mij een oudere heer, met wie ik aan de praat raakte over de lengte van de rij. ‘Vous n’êtes pas d’ici,’ stelde hij na drie zinnen vast. Dat vond ik niet zo leuk, want ik heb net een halfjaar in Frankrijk zitten peuteren op mijn Frans. Maar goed, voor de rest was het een heel vriendelijke meneer. We praatten een tijdje over koetjes en kalfjes en politiek en immigratie. De oudere heer kwam uit het voormalige Joegoslavië, maar in de jaren ’50 was hij naar Parijs verhuisd. En Nederland, dat kende hij wel, daar had hij wel eens een exposé gehouden.

‘Waarover dan?’ vroeg ik dus. Dat stomme Frans ook. Hij had geen exposé gehouden, hij had geëxposeerd. ‘Ik ben schilder,’ verklaarde de keurige meneer. ‘Wat voor soort werk maakt u zoal?’ vroeg ik geïnteresseerd. ‘Dat kan ik u niet uitleggen, mademoiselle,’ verzuchtte de heer, ‘dat is net zoals iemand vragen wat voor muziek hij maakt. Maar,’ begon hij in zijn zakken te zoeken, ‘ik heb wel een pagina op internet. Daar kunt u misschien eens op kijken.’ ‘Heel graag,’ zei ik beleefd. Uit zijn portefeuille haalde hij een dun strookje papier waar een keurig handgeschreven internetadres op stond. Hoe snoezig, dacht ik nog.

Om vervolgens het gesprek meteen weer te vergeten, zoals die dingen nou eenmaal gaan op een station, tot het papiertje gisteren ineens uit mijn agenda kwam waaien. Ach ja, die keurige heer. Nieuwsgierig tikte ik het webadres in van Konstantin Stefanovitch, zoals hij bleek te heten. Het was een site in zwart en wit en met eenvoudig lettertype, van iemand die geboren is voor het begin van het digitale tijdperk. Ik vond een grote collectie schilderijen, maar voornamelijk elegante etsen van naakte jongedames. Die meneer Stefanovitch. Op zijn oude dag deed hij dat dan toch allemaal maar mooi. Er stond ook een mailadres bij.

Zou ik durven?

donderdag 21 oktober 2010

Perfect

Onlangs logeerde een vriend bij mij. ‘Weet je B., dat jij onmogelijk met iemand kunt samenwonen,’ sprak hij monter toen hij weer vertrok. ‘Denk je dat nou heus?’ piepte ik benauwd. Hij dacht dat heus. Goed nieuws is dan ook dat ik krap twee weken na dit onheilspellende bericht toch ineens samenwoon. In Brussel en met een man. Die man is niet mijn vriend, tenminste niet als in het begrip Vaste Relatie (dat is een klein detail). Maar goed, het is een begin.

De man heet Alexander, maar dan in het Frans, dus Alexohndre. Vooralsnog doet hij het voorbeeldig. Zonnig assisteerde hij bij de verhuizing, geroutineerd pakte hij mijn moeder in en mijn spullen uit. Hulpvaardig schroefde hij zonder morren een IKEA bed in elkaar, waarna hij gelukkig wel verklaarde eigenlijk een enorme hekel te hebben aan IKEA.

Proefondervindelijke ervaring leerde mij dat Franse jongens (niet alleen Franse, trouwens) vaak een beetje ludiek zijn in het huishouden, dus had ik me terdege voorbereid op een paar middagen soppen en schrobben. De schuursponsjes had ik zelfs vast bovenin de verhuisdozen gelegd, zodat ik meteen kon beginnen. Dat bleek echter een voorbarige maatregel, want alles blonk me tegemoet. Ik vond schelpjes in de badkamer, biologisch appelsap in de koelkast en een thee-ei.

Vooral na het zien van dat thee-ei werd ik een beetje huiverig. Want het is wel zeker dat ik een veel onaangepastere en onopgeruimdere huisgenoot ben dan Alexohndre. Die op zondagochtend een eitje bakte en zorgzaam vroeg of ik dat met een hele dooier had willen hebben of juist liever niet. En zeer intellectueel interessante boeken leest en gitaar speelt. En desgevraagd verklaarde dol te zijn op zijn kleine neefje van zes. En niet eens homosueel is.

‘Ja,’ zei mijn Allerbeste Vriendin, die langskwam en meteen keurend alle keukenkastjes opentrok, ‘er is zelfs gember in huis. Hij is perfect!’ ‘Ik weet het,’ zei ik zuchtend, ‘hoe moet dat nu verder?’ Ik zal heel erg mijn best moeten gaan doen, dat is een ding dat zeker is.

zaterdag 16 oktober 2010

Kinderwens

Ben ik eindelijk zelf in het reine met het bestaan als single, gaat de wereld zich daar ineens tegen verzetten. Om te beginnen ben ik op vrije voeten een potentieel gevaar voor alle mannen die wel getrouwd en/of samenwonend zijn. Tenminste, dat ben ik niet echt natuurlijk, dat is meer een kwestie die speelt in de hoofden van hun lieftallige eega’s. Maar vooruit, dat heb ik zo zoetjesaan geaccepteerd. Inmiddels verrijst een nieuw probleem aan de horizon, dat veel essentiëler is.

‘Zie jij jezelf eigenlijk als moeder,’ vroeg een vriendin laatst aan mij. ‘Ja natuurlijk,’ riep ik meteen, ‘jij dan niet?’ Eigenlijk wist ze dat nog niet zo zeker, want ze wilde ook een carrière, en een sociaal leven. En als ze dan een kind kreeg, als dus, dan wilde ze er ook wel genoeg tijd voor hebben. ‘Ach,’ zei ik, ‘je hebt nog een jaar of tien om erover na te denken.’ Maar nee, dat was het hem nou juist. Want na je dertigste wordt het steeds lastiger om zwanger te worden, en na nóg vijf jaar blijkt dat -wederom volgens deze vriendin- een nagenoeg onmogelijke opgave.

In dit licht bezag ik het recente gesprek met mijn doktersassistente plotseling met heel andere ogen. Ik belde haar omdat ik wilde stoppen met de pil. ‘Heeft u een kinderwens?’ vroeg ze daarop monter. ‘Hemel nee,’ zei ik geschrokken, ‘nee zeg. Voorlopig nog even niet. Hoe komt u daar nu bij?’ Maar nu blijkt dus plotseling dat ik me reeds op het hellend vlak der afnemende vruchtbaarheid bevind. Iedere maand word mijn ovulatie een beetje minder dynamisch, tot er van een eisprong nauwelijks nog gesproken kan worden.

Mijn korte termijn perspectieven zal ik dan ook drastisch moeten gaan bijstellen. Niks geen gerommel meer in de marge. Bij voorkeur zou ik de aanstaande vader van mijn toekomstige kinderen een paar jaar kennen alvorens over te gaan tot de productie van nageslacht. Volgens mijn laatste berekeningen moet ik hem dus -jawel- voor het eind van dit jaar nog ontmoeten. Anders komt het nooit meer goed! Ach, het is er allemaal niet romantischer op geworden sinds de emancipatie haar intrede deed.

dinsdag 5 oktober 2010

Compleet

Jarenlang heb ik veel moeite gehad met het vrijetijdsvraagstuk. Tenminste, niet met de vrije tijd an sich natuurlijk, dat was geen probleem. De kwestie was alleen dat ik niet zoiets had als een officieel erkende hobby. Met name op CV’s was het altijd een heikel punt. En dat maakte toch dat ik me enigszins onvervuld voelde, als mens zijnde.

Sociaal geaccepteerde hobby’s in beter opgeleide kringen zijn dingen als jazz, sport en vrijwilligerswerk. Recruiters kunnen daar ook prima mee uit de voeten. Alleen ik helaas niet. Aan teamsport heb ik zelfs een uitgesproken hekel. Dat kun je natuurlijk beter niet zeggen tijdens je sollicitatie, voor er meteen allemaal nare conclusies aan verbonden worden. Verder bespeel ik geen instrument. En ik verzamel ook al niets. Geen postzegels, geen bijzonder glaswerk, geen snuifdoosjes. Geen geborduurde tasjes. Geen ansichtkaarten van het koningshuis.

Dus ja, daar zat ik dan maar mooi mee. Met 'reizen' kun je altijd prima voor de dag komen, dat is weliswaar een beetje afgezaagd maar klinkt alsnog avontuurlijk en openminded. En ik houd ook best van reizen, alleen niet van 20e eeuws afzien voor frisse jonge mensen zoals interrailen of couchsurfen. Nee, het liefste nam ik eigenlijk een grote hoedendoos en drie dienstmeisjes mee. Dus reizen kan ik ook beter achterwege laten, want dit zou kunnen worden geïnterpreteerd als zijnde backpacken in Peru of surfen in Nieuw-Zeeland.

Lezen was eigenlijk de enige hobby uit het normale spectrum die op mij van toepassing was. Heel fijn. ‘Heeft u ook hobby’s mevrouw B.?’ ‘Eh, jazeker, ik houd erg van leee-zah.’ ‘En verder?’ ‘Nee, verder eigenlijk niets.’ Daar ging ik niet mee scoren, dat voelde ik aan mijn theewater. Ik heb weleens overwogen om ‘mensen’ als hobby te noteren, maar dat staat zo gek. Ook ‘vriendje’ is iets dat veel tijd kost, maar geen hobby genoemd kan worden. Eerder een missie, lijkt me. Ik ben dus al met al zeer opgelucht: tegenwoordig doe ik aan schrijven.

Eindelijk compleet.

zaterdag 2 oktober 2010

Experiment

Over sommige dingen moet je niet te lang nadenken, daar moet je heel snel ‘ja’ op zeggen voor je spijt krijgt. Dat geldt in mijn geval voor buikdansen, een baan, en voor nachtwandelen met kunstenaars. De filosofie van het initiatief in kwestie was om de schoonheid van de buitenwijken van Marseille te ontdekken - middels een veertien uur durende voettocht. ‘Architecten vinden dat nou eenmaal leuk,’ knipoogde mijn vriendin Julia (architecte) opbeurend, ‘het is vast grappig.’ Dus daar was ik dan. We kregen allemaal een boekje uitgereikt met een artistiek opgetekende speurtocht. Volgens dit boekje moesten we vertrekken met een lokale trein (zonder kaartje, natuurlijk). ‘Met hoeveel zijn jullie?’ krabde de conducteur zich onder zijn pet, ‘oh, in dat geval denk ik dat ik maar even de andere kant op loop.’

‘Het is voor de radio’ zeiden we als het echt mis dreigde te gaan, ‘we zullen even bellen, dan komt u live in de uitzending.’ Wat niet gelogen was. Wij hadden allemaal een radio uitgereikt gekregen, en op bepaalde tijden in de nacht werden we gebeld om Radio Kikker (88.8 fm) te informeren over onze perceptieveranderende ervaringen. ‘We staan nu bij het afvalverwerkingsstation van Marseille,’ kon bijvoorbeeld worden gehoord, ‘en we vragen toestemming om binnen te komen. Terug naar radio Kikker.’ Aldus maakte ik op een uitgestorven containeropslagplaats onder de weidse sterrenhemel kennis met Vincent. Vincent was erg Frans en had grijze lokken in zijn haar. Ik vond dat natuurlijk reuze charmant. ‘Wat denk je ervan?’ vroeg ik aan Julia. ‘Mij te beleefd’ zei ze afkeurend, ‘en ook nog een jurist (daar keek ze heel smerig bij). Maar best wel aardig hoor, verder.’

Noem het ouderwets, maar het is toch altijd fijn om een beleefde man bij je te hebben als je bij nacht en ontij door een verlaten treintunnel moet navigeren. In het begeleidende schrijven werd dat onderdeel aangeduid als de Tunnel des Doods. Af en toe lekte er een grote enge druppel van het plafond, of raakte er iemand verstrikt in een bos distels. Dan wachtten we even, en luisterden naar de radio. Want gelukkig verzorgde Radio Kikker ook een alternatief-muzikale omlijsting. Een laatste stop maakten we tegen acht uur in de ochtend bij de openluchtgroothandel in groente. Verspreid over een paar lokale snackbars ontmoetten we allerlei vrolijke allochtone handelaars. Er werd een watermeloen geslacht ter onzer ere, we mochten de schillen zo op de grond gooien en werden allemaal hartelijk uitgezwaaid aan het eind van het ontbijt.

Na het wandelen trof het mij ineens als buitengewoon overdreven gecompliceerd dat er mensen zijn die zich bezighouden met beleid, hogere wiskunde of een promotie in civiel recht. En ik had er ook nog een leuke Franse man aan overgehouden. Experiment geslaagd, zou ik zeggen.


Klik hier voor radio Grenouille 88.8 fm

dinsdag 21 september 2010

Slaap


Wanneer poezen en andere knusse dieren samen liggen te slapen ziet dat er altijd zo vredig en gezellig uit. Helaas ben ik geen poes. En ook al beschik ik over een grote hoeveelheid romantisch gedachtegoed, over slapen maak ik me geen illusies. Dat doe ik gewoon heel graag alleen. Je hebt lekker veel ruimte voor je boeken en de krant, je kunt fijn diagonaal overdwars gaan liggen en niemand zit te zeuren dat het licht uit moet als je midden in de nacht ineens een briljant idee krijgt dat je snel even op wilt schrijven, of zin hebt om naar mooie muziek te luisteren.

Met zijn tweeën is dat anders. Een tijdje ging ik uit met een jongen, een man moet ik eigenlijk zeggen, die mij altijd helemaal wilde omhelzen terwijl hij sliep. Dat was natuurlijk erg lief, maar ondertussen deed ik geen oog dicht - en kon ik geen kant op. Elke nacht hoorde ik de nabij gelegen kerkklok drie uur, vier uur, vijf uur slaan. Ik probeerde me wel eens stiekem los te maken uit zijn omarming, maar omdat hij veel groter en sterker was dan ik (dûh) lukte dat meestal niet. Op het onchristelijke tijdstip van half zes ging gelukkig de wekker van deze jonge arts, daarna kon ik dan nog twee zalige uren slapen.

Afgezien van een idyllische periode rond mijn eerste verliefdheid ben ik zelf gewoon nooit een erg sociale slaper geweest. Sowieso heb ik iets van twintig centimeter afstand nodig. Verder pak ik dekens af, neem het hele matras in beslag, lig nachten te woelen, ik kwijl, schop, snurk bij vlagen (schijnt) maar word heel kwaad als anderen dat ook gaan doen. Die hebben zich maar te gedragen, zeker als het mijn bed is. De enige die tot nu toe al zesentwintig jaar alles geduldig verdraagt is mijn beer. Hij vindt het helemaal niet erg als ik om half vier nog even een kopje thee zet, en op snurken heb ik hem ook nog nooit betrapt.

Later ga ik maar met hem trouwen, denk ik.

zaterdag 11 september 2010

Helaas


Een verhuizing is weer een beetje opnieuw op kamers: mijn moeder wil graag gordijnen naaien, haar man is druk in de weer met een zogenaamde boedelbak, en ik had een bed nodig. Net op dat moment kwam een reclame van IKEA voorbij. ‘Elke dag is anders,’ sprak een opgeruimde stem mij bemoedigend toe. Misschien, dacht ik in een opwelling, ben ik te hard geweest in mijn oordeel over deze meubelsupermarkt. Mijn eerste IKEA-bed was tenslotte prima bevallen. Op een zonnige zomernamiddag betrad ik dus vol goede moed het limbus van de Europese woninginrichting.

Opgewekt huppelde ik langs de ballenbak richting de boekenkasten. Daar werd ik positief verrast door de aanwezigheid van boeken op de planken, bijvoorbeeld van onvolprezen Zweedse schrijvers als Per Hyldemar. Dat was dan best wel weer aardig gedaan, hoewel, niet zo leuk voor Per natuurlijk. In de ramsj is één ding, maar als je etalagemateriaal bij een internationale woningdiscount bent, dan kun je misschien maar beter heel gauw doodgaan. Snel dus maar verder naar het bed, dat inderdaad in allerlei schappelijke prijzen en maten verkrijgbaar was. Ondertussen passeerde ik ook nog een afdeling planten. Voor de zekerheid voelde ik even aan de bladeren. Geen plastic, constateerde ik opgelucht. Al met al viel het toch reuze mee.

In het magazijn trad echter verwarring op. Op mijn IKEA kladblokje (op strategische punten gratis te verkrijgen) had ik met mijn prutserige IKEA potloodje (idem) gehoorzaam een stellingkastnummer en een vaknummer opgekrabbeld, want ik begreep dat dat de bedoeling moest zijn. So far so good. Alleen stonden er in stellingkast 23 helemaal geen bedden, maar opbergmeubels. Vak 5, dat mij was aangeduid als zijnde de locatie van mijn Sultan-bodem, bleek Björken badkamerkastjes te bevatten. Ook stellingkast 5, vak 23 was niet correct. Na enig zoeken en navragen bleek inderdaad het nummer niet juist. En, bij nader inzien, het bed helemaal niet aanwezig en ook de eerste drie maanden niet leverbaar.

'Neem anders gewoon het logeerbed mee,' zei mijn moeder aan de telefoon.

Jammer toch, want het ging net zo lekker bij de IKEA. Over vijf jaar doe ik weer een poging.

vrijdag 3 september 2010

Fiets

Bij ons thuis werd weinig gefietst. Ik wilde het niet leren, en mijn ouders drongen niet aan. Zij deelden samen een omamodel zonder versnellingen en met terugtraprem. Mijn vader had ook nog wel een stokoude racefiets uit de jaren zestig, maar dat was meer een soort oldtimer. Nu hij in Italie woont peddelt hij eens per jaar op dat museumstuk naar de bakker (vaker kan ook niet, want drie jaar Milanese mist is de doodssteek geweest voor de schroefjes). Bij thuiskomst wordt hij dan als een topsporter onthaald door zijn vrouw, die ik nimmer bij een fiets in de buurt heb gezien. Ze schijnt het wel te kunnen, maar dat is nooit bewezen.

Hoewel mijn vader ook toen ik klein was al wel eens een recreatief rondje door het dorp maakte op zijn antieke fiets, vond mijn moeder het allemaal maar niks. Ze besteeg de gazelle alleen maar in uiterste noodgevallen – als de auto stuk was – en dan met de grootste tegenzin. Dat gaat tenslotte ook niet zo makkelijk, als je principieel weigert een broek te dragen. Destijds reed ze in een solide Volvo uit het jaar nul, waar ze nauwelijks boven het stuur uit kwam. Op de achterbank kon je niet zitten, die werd in beslag genomen door een berg bibliotheekboeken, schoenen, en rokjes die eigenlijk naar de stomerij moesten.


Des te interessanter is het dan ook, dat ze nu een man heeft die dol is op fietsen. Op zondag gaan ze regelmatig een tochtje maken op de heide, iets wat mijn moeder mij anno 1995 nog pleegde voor te spiegelen als het summum van kleinburgerlijkheid. Ik vind dat erg lief, maar soms moet ik er wel om lachen. Laatst kwamen mijn moeder en haar man me opzoeken in Frankrijk. ‘En, waar staat nou je fiets,’ was een van de eerste dingen die hij vroeg, terwijl hij onderzoekend mijn straat rondblikte. ‘Geen fiets,’ zijn ogen werden groot van verbazing terwijl hij mijn antwoord op zich liet inwerken. Ik schudde mijn hoofd. ‘Maar hoe moet je je dan verplaatsen?’ hoorde ik hem bezorgd mompelen.

donderdag 19 augustus 2010

Geheim


Ik heb geen broers of zussen, maar ik had iets veel beters: een nichtje uit IJmuiden dat elke vakantie kwam logeren. Het nichtje was vijf jaar ouder dan ik en benaderde in mijn ogen de perfectie, ik wilde het liefste precies zo zijn als zij. Ik wilde dan ook alles doen wat zij deed, met als enige uitzondering het drinken van tomatensap, wat ik nog steeds erg vies vind. De week voordat ze zou arriveren deed ik geen oog dicht van de spanning.

Mijn nichtje was auteur van een imposante reeks dagboeken die ze minutieus bijhield sinds ze schrijven kon, of in ieder geval zolang ik me kon herinneren. Deze notitieboeken werden opgesierd met toffeepapiertjes, kassabonnen en andere herinneringen en waren uiteraard streng verboden terrein. Zo nu en dan –bij hoge uitzondering en waarschijnlijk omdat ik zo zat te zeuren- werd mij toegestaan een onbeduidende passage van het geschrevene in te zien. ‘Van hier,’ wees mijn nichtje dan aan, ‘tot hier mag je lezen.’ De omringende stukken dekte ze zorgvuldig af met haar handen.

Hoewel ik natuurlijk stierf van nieuwsgierigheid, durfde ik niet stiekem in de dagboeken te kijken, ik vreesde mijn nichtje’s toorn meer dan alles. Uit wanhoop begon ik elke vakantie zelf met schrijven, maar ik hield het nooit langer dan een paar weken vol. ‘Als je doodgaat, wie erft dan je dagboeken?’ vroeg ik op een dag hoopvol aan mijn aanbeden nicht. Desnoods was ik bereid een leven lang te wachten. ‘Niemand,’ antwoordde ze toen onverstoorbaar. ‘Ze worden vernietigd, mijn moeder heeft het beloofd.’

‘Oh,’ zei ik teleurgesteld.

zaterdag 7 augustus 2010

Overwinning

Mijn meest levendige herinneringen aan de middelbare school hebben te maken met gymnastiek, ofwel Lichamelijke Opvoeding, zoals dat op het lesrooster heette. Gelukkig kom ik tegenwoordig zelden tot nooit in een gymzaal, behalve soms als ik ga stemmen. Eén teug van die bedompte lucht van leer, zweetsokken en plastic matten is genoeg om oude trauma’s te doen herleven. In retrospectief komt het me nog surreeeler voor dan destijds: een stel opgeschoten pubers dat moet klauteren in rekken, zwaaien aan ringen en springen op trampolines, het lijkt wel bedacht door een of andere waanzinnige. Om nog maar te zwijgen over idiote opgaven als de zogenaamde coopertest – daarvan weten we het tenminste zeker, die is verzonnen door meneer Cooper. Tijdens de koude oorlog ontwikkelde hij de test om Amerikaanse astronauten te drillen, en daar lijdt de Nederlandse tiener nu nog onder.

Naast onze zeer respectabele school lag een immens sportveld ter grootte van een bescheiden voetbalstadion, waar wij die coopertest eens per jaar moesten afleggen. Je mocht naar dat heilige gras buiten de gymles geen vinger uitsteken, dan werd je geheid teruggefloten door de dienstdoende concierge. Het veld was uitsluitend bedoeld om ons te bekwamen in nobele sportkunsten, zoals bijvoorbeeld het discus- en speerwerpen. Zo’n topzware frisbee heb ik zelf nooit verder weten te slingeren dan pakweg een halve meter. Het doet denken aan klassiek filosofisch probleem: wierp ik de discus of wierp de discus mij? Tot op de dag van vandaag vraag ik me af waar dat in godsnaam allemaal goed voor is geweest – ik heb deze latent aanwezige kennis later nooit ergens voor kunnen gebruiken. Wellicht in de toekomst nog eens, als we door een nucleaire oorlog worden teruggeworpen in de oertijd. Vooralsnog neem ik aan dat het speerwerpen met name appelleert aan de primaire driften van gymdocenten.

Mijn allergrootste vijand was echter De Bok. De angst die dat monsterlijke leren geval op vier poten mij inboezemde was ongeevenaard. De gymleraar, die zich daar helemaal niets bij voor kon stellen en zelf waarschijnlijk gymleraar was geworden omdat hij zo’n begenadigd bokspringer was, probeerde mij goedschiks en kwaadschiks over het wanstaltige apparaat te krijgen. ‘Het zal een echte overwinning voor je zijn,’ orakelde hij lispelend, ‘anders zul je altijd bijven terugblikken op een nederlaag.’ En ik moet zeggen, toen hij me na vier jaar eindelijk zo ver had gekregen een poging te wagen, bleek hij nog gelijk te hebben ook. Ik kukelde van de aanloopplank regelrecht op de grond, verzwikte een enkel en hoefde negen prachtige maanden niet te gymastieken. Het was één van de mooiste dagen uit mijn schoolcarrière.

donderdag 5 augustus 2010

Zwemangst

Het zeewater aan de Zuiditaliaanse kust is glashelder. En zou je dus verwachten dat men daar en masse lekker een stukje in gaat zwemmen. Maar nee. Soms zie je iemand tot de knieën in het water staan, een beetje turend naar de horizon met een blik op oneindig, of een krant lezend. Een stukje lopen door de branding, dat kan ook. Heel populair is op heuphoogte door het water waden, het schijnt dat dat enorm helpt tegen cellulitis, en je wordt er nog bruin van ook. Maar echt zwemmen is niet in trek. En dat komt niet, zoals je wellicht zou verwachten, doordat men rekening houdt met eventuele illegale radioactieve lozingen.

Het Italiaanse equivalent van de Privé bevestigde deze week: 43% van de bevolking zwemt niet of niet goed. Letterlijk stond er: nuota in modo approssimativo. Voor wie nog nooit een Italiaan op de approximatieve manier heeft zien zwemmen, dat gaat als volgt. Met serieus gezicht wordt een prachtige duik uitgevoerd. Daarna volgen twee met veel misbaar uitgevoerde crawlslagen, vergezeld van luidruchtig spartelwerk met de voeten, waarna de sportieveling naar lucht happend en met trots gezicht weer boven water verschijnt. Wie vertelt dat je in Nederland niet één, maar zelfs meerdere diploma’s voor zwemmen kunt behalen, wordt ongelovig aangekeken. Grapje zeker.

Maar goed. Het is hierdoor wel altijd lekker rustig in de Calabrese zwemwateren. Je hoort niets dan golven, en krekels. Met een beetje pech ook een familielid dat driftig in de branding staat te roepen dat je levensgevaarlijk bezig bent door zo ver uit de kust te gaan. En om half 12 is het definitief gedaan met de rust, als de animatori hun opwachting maken. ‘Goedemorgen allemaal,’ schalt er over het water, ‘Vanmiddag om vier uur passeert de processie van de Madonna Greca de kerk van Santa Cristina. U bent allen van harte uitgenodigd om te komen. Maar nu eerst… balli di gruppoooooo!’ Een gezellige zomerhit wordt opgezet. Meteen stormt het halve strand het water in. Dansen in zee, dat kan dan weer wel.

dinsdag 3 augustus 2010

(Be)rusten

Warm. De zomers zijn erg warm in Capo Rizzuto. De afgelopen vijftien jaar heeft het in augustus één keer geregend, en dat was een heel slechte zomer, daar wordt nu nog over gepraat. De hitte maakt de mensen berustend. Elk jaar wordt midden in de nacht een grote vrachtwagen met landbouwgif uitgereden over de vakantiekolonie Santa Cristina, de zogenaamde disinfestazione tegen insecten. Het klinkt feestelijk, maar dat is het allerminst. Ik bewaar niet al te beste herinneringen aan de nacht dat ik wakker werd in een wolk van pesticiden, en mijn toevlucht moest zoeken tot het strand. Vinden jullie dat nou niet zorgelijk, vroegen we daarna aan de buren, al dat gif, er zijn hier veel gezinnen met kleine kindjes. ‘Ah nee, dat is juist goed, dat is tegen de muggen,’ wordt dan gezegd. Over gezondheidsrisico's haalt men de schouders op. Je drukmaken over het milieu is al helemaal niet aan de orde. In de haven van Crotone, twintig kilometer verderop, ligt al jaren een chemische fabriek te verroesten, ook nog nooit iemand over gehoord. Ik stel me Noord-Afrika een beetje zo voor. De zon staat ‘s avonds laag, het licht is roze. Op een droog veld voetballen jongens alsof hun leven er vanaf hangt. Langs de kant staan bloeiende oleanders.

En wat zou je je ook druk maken over vervuiling. Eten, dat is pas echt belangrijk. Ik begin steeds meer te vermoeden dat de zee voor Zuiditalianen alleen maar een alibi is om 16 uur per dag met eten bezig te zijn, het strand zelf is bijzaak. Hoewel mooi bruin worden ook hoog op de agenda staat. ‘Weet je wat jij moet doen,’ zei mijn neef laatst bloedserieus, ‘je moet van tevoren een paar keer naar de zonnebank gaan, en als je dan hier weekje komt dan ben je daarna prachtig bruin. Anders houdt de kleur niet, je moet dat langzaam opbouwen.’ Ik beloofde hem dat ik er over na zou denken. De neef heet Giuseppe, Jozef dus eigenlijk, een mooie Italiaanse naam. Maar het kan nog veel mooier. Onze buurman gaat door het leven als Salvatore, wat inderdaad zoiets als ‘Verlosser’ betekent. De vrouw van Salvatore is een traditionele echtgenote. Zij gaat dagelijks een uurtje naar het strand in de ochtend en dan snel weer terug naar huis om te koken voor man en kinderen. Tijdens het eten en op het strand wordt er ook eigenlijk bijna uitsluitend gepraat over eten. Je zou het niet zeggen, maar de bereiding van courgette biedt mogelijkheid tot urenlange discussies.

Na het middageten is het tijd voor de riposo. Riposare betekent eigenlijk rusten, en meestal is dat slapen, maar niet noodzakelijkerwijs. In Nederland rust je niet. Ja, als je dood bent misschien (‘rust zacht’). Bij leven ben je of ergens mee bezig, of je slaapt, niet iets vaags daar tussenin. In het zuiden is men niet zo druk bezig, over het algemeen. Behalve met eten natuurlijk, en daar word je ook moe van. Anna, de moeder van Giuseppe, kookt als het moet voor een weeshuis, dus altijd veel teveel. Ze kookte ook jarenlang voor de armen in Cosenza. Onder het eten wordt besproken welke soorten vis er lekker zijn bij couscous, want ook de buitenlandse keuken arriveert langzaam maar zeker. Dan gaat het nog even over een oude kennis, die een dochter heeft verloren, en toen een neef, allebei een ongeluk met de motorino in Rome. Veel gaat in dialect, maar de grote lijn is duidelijk. Hij is sfortunato geweest, onfortuinlijk. ‘Ja,’ verzucht Anna, ‘laten we nostro signore bedanken dat hij ons heeft behoed voor dit soort rampen.’ Iedereen kijkt loom voor zich uit. ‘Wie wil er koffie,’ vraagt de man van Anna. Een hondje hapt lusteloos naar een vlieg.

Tijd om te rusten.

maandag 19 juli 2010

Het Zilver


Eén van mijn moeders onwrikbare principes is dat je altijd eet met zilveren bestek. Als kind leerde ik van haar, dat een metalen vork handig is om onkruid mee te wieden, kattenvoer in een bakje te doen of een schroef mee vast te draaien, maar volledig ongeschikt wordt geacht voor op tafel. Mijn moeder refereerde regelmatig aan ‘het Zilver’ waarmee ze dan dus geen familiejuwelen of een andere liquide voorraad edelmetaal bedoelde, maar het tafelzilver van mijn overgrootouders. Dit Zilver, vijftigdelig met bijbehorende servetringen, lag opgeborgen in een grote houten kast en werd door mijn moeder gepoetst, in ere gehouden en bewaakt alsof het een heuse schat betrof.

Mijn vader deed net zo hard mee met de gekte. Als we op het punt stonden om op vakantie te gaan, trapte hij halverwege de oprijlaan meestal dramatisch op de rem. ‘Het Zilver!’ riep hij dan verschrikt uit, en trok een sprintje naar de keuken om het gekoesterde familiebezit ergens achter een schuifdeurtje op zolder te verstoppen. Mijn moeder zat ondertussen waarderend toe te kijken. Leuk stel, mijn ouders. Toen ze gingen scheiden, wilde mijn vader zijn Zilver natuurlijk graag meenemen. Alleen bracht dit mijn moeder in een penibele situatie. Scheiden is één ding, maar dan ook nog moeten eten van roestvrij staal, dat is de catastrofe compleet. Gelukkig kwam er in haar eigen familie weer nieuw Zilver beschikbaar dat niemand wilde hebben.

Want het verdwijnt, de interesse voor tafelzilver. Mensen als mijn moeder zijn een uitstervend ras. Laatst was ik bij een oude tante in Delft, en die had nog mooi bestek op tafel, gepoetst en wel. Maar voor de rest zie je dat zelden. En tijdje geleden werden we weer eens met onze neus op de feiten gedrukt. Er was namelijk ingebroken, en ik was de eerste die thuiskwam. ‘Mam, ze hebben je laptop meegnomen,’ zei ik door de telefoon, ‘het hele huis ligt overhoop.’ ‘En het zilver…?’fluisterde ze angstig. ‘Dat is er nog,’ stelde ik haar gerust, ‘of eigenlijk,’ preciseerde ik, ‘ze hebben het wel gevonden, maar niet meegenomen.’ Er viel een lange stilte aan de andere kant. ‘Dan was het vast een junk,’ zei mijn moeder uiteindelijk. En daarmee was de zaak afgedaan.

woensdag 7 juli 2010

Huub en Dien

Het is ook eigenlijk wel weer grappig om thuis te zijn, vooral omdat er helemaal niets veranderd is. Mijn overbuurvrouw Dien hing al meteen uit het raam. ‘Joehoe,’ riep ze, ‘joehoe wat leuk dat je weer terug bent. Is dat nou je vader.’ Dien is latent alcoholistisch (volgens mijn benedenbuurvouw) en getrouwd met Huub. Ze wonen in het geboortehuis van Wim Sonneveld. Dat vertellen ze ook te pas en te onpas aan iedereen, dat ze in het geboortehuis van Wim Sonneveld wonen. Af en toe stopt er een rondleiding met bejaarden en een gids voor de deur, en die vertelt dat dan weer aan de bejaarden. Ik heb al een kleine zes jaar een perfect zicht op het doen en laten van Huub en Dien. Zo weet ik dat ze geen kinderen hebben, maar wel een papegaai. In een kooi. Als het mooi weer is, mag de vogel ook af en toe een middagje buiten staan. Dat is dan op een stok. Wegvliegen kan niet, want het is een gekortwiekte papegaai.

Op de straatbarbecue van vorig jaar, toen ze een beetje aangeschoten was, vertelde Dien dat ze een tijdlang in Zwitserland hebben gewoond. Dat was eigenlijk erg goed bevallen. Ze deed daar iets met astmatische kindertjes die een weekje gingen skiën in de frisse berglucht. Huub werkte in een fotowinkel drie bergdorpen verderop, en ze zagen elkaar alleen in het weekend. ‘De beste periode uit ons huwelijk’ verzuchtte ze spijtig. Dat kunnen wij van nummer 82 a bis ons wel voorstellen, want we horen Huub regelmatig stevig schreeuwen naar Dien en naar de Dingen. Dit kwam tot een piek in de zomer van vorig jaar, toen hij had besloten de woonkamer te verbouwen. Terwijl Dien en de papegaai boven zaten te bibberen, woedde beneden Huub tussen de plafondpanelen en nieuwe raamkozijnen en grote wolken stof. Ik schreef destijds een scriptie, dus ik had alle tijd om dat uitgebreid gade te staan.

We hadden er zelfs een weddenschap op ingezet. Die ik nu helaas verloren blijk te hebben, want ik had de duur van de verbouwing geschaald op oneindig, of toch in ieder geval op een jaar of drie. En dat terwijl het project al na een luttele elf maanden is voltooid. Toen we de witte wijn opentrokken op het dakterras, begon Huub echter op straat met een oorverdovende cirkelzaag aan een niet nader te benoemen object te klussen. Desgevraagd verklaarde hij: ‘Ik weet nog niet precies wat het wordt, ik zaag zomaar een beetje en dan zien we het wel.’ Wij drinken dus maar weer binnen, met de ramen dicht. En het is net als vroeger. Op één ding na. Op het dak van Huub en Dien woont namelijk een stelletje duiven. Ze zitten daar al jaren gezellig een beetje aan elkaars veertjes te plukken. En nu zag ik ineens iets waar ik me ernstige zorgen over maak: het is er nog maar eentje.